Hot, hot, hot

Ze ligt niet op de kamer waar ik eergisteren afscheid van haar nam. Even schrik ik…het zal toch niet? Gelukkig vertelt de  dame aan de balie dat ze van kamer gewisseld is, nu op een kamer alleen. Daar vind ik Waranya slapend. Haar gezicht is smaller geworden, ik zie dat ze is afgevallen. Stilletjes zet ik mijn tas neer en dan opent ze meteen al haar ogen. ‘Hai,’ zeg ik zachtjes. Ze lacht me toe en gaat wat rechterop zitten. We spreken altijd in een mix van Engels en Nederlands en ze vertelt me dat het not good gaat. Ik zie een groot apparaat op haar borst onder haar pyjama hangen en wil weten hoe het nu met haar is. Ze moet geopereerd worden, volgende week in het UMC. Meer weet ze zelf eigenlijk ook niet. Maar ik heb een big problem mevrouw, ik moet hot hebben, zegt ze en ze maakt een gebaar met haar vingers. Ik zit met mijn gedachten nog bij haar operatie en  begrijp eerst niet wat ze bedoelt. Hot! Zegt ze nog een keer gedecideerd. Het eten hier smaakt nergens naar and I can’t eat it. Aha, ze wil eten, haar eigen soort eten.

Waranya is een alleenstaande oudere vrouw die zeer geïsoleerd leeft. Ze heeft weinig grip op haar leven, waardoor haar wantrouwen jegens alles en iedereen groot is. Ze vertrouwt haar advocaat, haar huishoudelijke hulp en mij. Omdat ze geen grip op bijvoorbeeld haar financiën kan krijgen, heeft ze snel het idee dat ze bedonderd wordt. Daarom spant ze rechtszaken aan om alles en iedereen ter verantwoording te roepen. Sporadisch is dat terecht, vaker niet. Ik vind het vermoeiend en soms irritant om keer op keer haar proberen zaken uit te leggen die ze niet vat, of waar ze het niet mee eens is. Af en toe betrap ik mezelf op ongeduld, op lood in mijn schoenen als ik weer naar haar toega voor onze tweewekelijkse afspraak. Maar nu zie ik een  kleine, kwetsbare vrouw bij wie niemand op bezoek komt, terwijl ze al een week in het ziekenhuis ligt.

Are you mad at me? Vraagt ze me opeens. Nee, hoe kom je daar nu bij? antwoord ik geschrokken. ‘Omdat alle mensen die ik om hulp vraag boos worden dat ik zoveel vraag. En dan niet meer komen,’ is haar antwoord. ‘Ik ben niet boos,’ verzeker ik haar. ‘Vraag maar.’

En dus fiets ik even later door de stad op zoek naar een Thais restaurant dat ’s middags om 16.00 uur al open is en speur ik naar badslippers zodat ze niet meer op blote voeten hoeft te douchen. Dat was er nu nodig, dus dat is wat ik nu voor haar zal doen.  Ze heeft me op het hart gedrukt niet alleen maar eten voor haar te kopen, maar ook voor mezelf. Toen ik protesteerde zei ze: if yóu don’t eat, Í don’t eat.

Bij terugkomst vind ik op de gang van de afdeling borden en bestek en in haar kamer dek ik de tafel. Ze maakt de bak met Thaise groentemix open, drukt met een lepel de grote stukken aan de kant en zegt teleurgesteld: no red juice, this is not hot. ‘Maar ik heb gevraagd om hot, hot, hot,’ zeg ik lachend., ‘probeer het eerst maar eens.’  Ik ben blij dat ik weer een beetje van  Waranya zie die goed weet wat ze wil. Op een halve rode peper kauwend, ontstaat er een glimlach op haar gezicht: mmm yes, bit hot, good.  Samen delen we de maaltijd. Ik houd het uiteraard bij de nasi, want de groentemix is veel te scherp voor mij. Ze zit werkelijk te bunkeren en ik realiseer me dat ze echt honger heeft. We spreken over haar eetgewoonten thuis wat niet in de buurt komt van de aardappels of de boterham met jam die ze in het ziekenhuis voorgeschoteld krijgt.  When I was in the ambulance…, begint ze opeens terwijl ze door eet, en daar komen haar verhalen. Dat ze wist dat het er niet goed uit zag, dat alle apparaten piepten, dat de dokter nu ook geen garanties kan geven. Dat ze niet bang was omdat een broeder haar geruststelde.

Ik ben very happy, zegt ze als ze een ongelooflijke hoeveelheid eten heeft weggewerkt. I can sleep tonight, because I’m not hungry. Wat over is, zet ik in de koelkast op de gang en ik vertel haar dat ze morgen kan ontbijten, luchen en dineren met Thais eten, net als thuis. Morgen gaan we bellen en dan kom ik overmorgen weer, met een nieuwe lading eten, beloof ik haar.

Heleen Heidinga, buurtpastor Stichting Buurtpastoraat Utrecht

(weg)Blijven

Vaarwel zeggen voelt alsof het haaks staat op mijn jaar buurtpastoraat in Parkwijk-Zuid. Als buurtpastor hoopte ik elk contact in de wijk te kunnen uitbouwen tot een relatie, en elke relatie hoopte ik te kunnen verdiepen. In die relatie wilde ik de ander zorg bieden, hoe dat dan ook maar dat nodig en mogelijk was. Het trouw onderhouden van de relatie voelde in zichzelf al als een vorm van zorgdragen voor die ander. 

De relatie verbreken – weggaan – staat daarmee haaks op de kern van dat relationele werken. Hoe werkt relationeel weggaan eigenlijk? Een heel jaar ben ik bewust relaties aangegaan, met in mijn achterhoofd: ‘ik ben hier voor de lange termijn’. Afscheid staat niet in het woordenboek. Hoe werkt dat? Hoe kan je relationeel afscheid nemen? 

Nee. Dat meen je niet. Ga je me in de steek laten? Ik kwam erachter dat weggaan pijn kan doen bij een ander, zelfs als je het met tact en zachtheid probeert te vertellen. Weggaan is iets definitiefs, het is zwart-wit. Té zwart-wit voor sommigen. Zij vragen of ik nog af en toe een belletje kan doen, af en toe langs kan komen. Ze weten dat ik niet ga blijven maar willen ook niet dat ik ga weg-blijven. Ik wil dan geen nee zeggen, maar kan ik ja zeggen? Ik ben gaan hechten aan deze mensen, en ik zou graag een band bewaren. Ook al gaat die band – hoe dan ook – veranderen. De dynamiek zullen we opnieuw uit moeten vinden. Het kan blijken dat de relatie dan niet meer duurzaam is. Het kan zijn dat het uitstel van executie is. 

Ik denk dat jij niet doorhebt hoeveel jij betekent hier voor de mensen, voor mij. Ik denk dat hij gelijk heeft. Voor mijn gevoel zit de waarde van dit werk vooral in de trouwe aanwezigheid op de lange termijn. Dat ik dan nu al na een jaar weg ga, voelt alsof ik half werk lever aan de mensen die ik heb leren kennen. Ik ga inderdaad, zoals een buurtbewoner zei, nu al weg. Juist nu ik het idee begon te krijgen dat ik meer en meer in de wijk aan het landen was, en met buurtbewoners een verdiepingsslag aan het maken was. Hierdoor onderschat ik misschien wel de waarde die het werk al wel heeft gehad in het afgelopen jaar. 

Ik vraag naar hoe ik voor hem van betekenis ben geweest. Je was er gewoon op de juiste momenten. En: Door jou kon ik dan weer helder nadenken. Deze buurtbewoner is in de afgelopen jaren door diepe dalen gegaan. Ik heb verschillende momenten meegemaakt dat hij de wanhoop nabij was. Het gaat nu beter. Hij probeert zijn leven op de rit te krijgen en zijn dromen waar te maken. Dit zien geeft het me het vertrouwen dat hij mij niet nodig heeft om te komen waar hij wil zijn. Toch zegt hij mij nodig te hebben. Pogingen van mij uit om samen te zoeken naar anderen die kunnen bijspringen als ik weg ga, zijn niet direct vruchtbaar. Hoewel ik niet meer de rol kan innemen die ik de afgelopen periode heb vervuld, besluit ik eens in de zoveel tijd langs te blijven komen bij hem. Ik weet dat ik hiermee misschien het afscheid alleen maar verplaats naar later, maar ik ben bereid te zoeken naar een duurzame manier van contact houden. 

In de wijk breng ik in de laatste periode meer tijd door met de mensen die ik al ken, en ben daardoor minder op straat te vinden. Het aangaan van nieuwe contacten is geen prioriteit meer, want over een paar weken kies ik het ruime sop. Ik kies om wat meer aan te sluiten bij andere projecten, zoals die van de buurtagenda, om zo mijn laatste weken nog zoveel mogelijk in de wijk te kunnen doen. 

Het liefst heb je niet dat iemand via via hoort dat je weggaat of weg bent. Er is een aantal buurtbewoners die ik ondertussen goed heb leren kennen, maar die ik alleen spreek als ik ze toevallig tegenkom. Om hen op de hoogte te brengen van mijn vertrek moet ik  bewust de plekjes opzoeken waar ik hen vaak ontmoet. Het is dus ook een beetje geluk hebben. Dit maakt dat ook deze afsluitende periode van mijn tijd als buurtpastor het onvoorspelbare aspect behoud dat het werk in het afgelopen jaar kenmerkte, ook al loop ik nu wél met een agenda door de wijk. 

Hoewel de wijk niet zoveel is veranderd in het afgelopen jaar, ben ik dat wel. De wijk is langzamerhand als een soort thuis gaan voelen. Ik woon er niet, maar ben er wel op mijn plek. Ik weet meer over de wijk en de mensen dan sommige buurtbewoners zelf. Dit is het product van de maandenlang door lege straten wandelen, zwaaien als iemand aan de overkant binnen van achter een gordijn naar me staat  te kijken, her en der een praatje aanknopen met een toevallige voorbijganger. Maar ook van bij buurtbewoners op de koffie gaan, uitgenodigd worden bij een familiebijeenkomst,  samen met een buurtbewoner naar de bios gaan. Door de traagheid van de eerste maanden heen kon ik het afgelopen jaar aansluiten in de levens van mensen met wie ik anders niet snel ik contact was gekomen. Een van de buurtbewoners zei: In het begin heb ik je een beetje getest, om te zien of je oprecht was. Toen ik zag dat je een eerlijke man was, toen ging ik je pas echt meer vertellen. Aansluiten, vertragen en trouw blijven bleken belangrijke sleutels tot het leven van een ander te zijn. Dit soort inzichten en ervaringen zullen ongetwijfeld voor mij op andere (werk)plekken vruchtbaar blijken. Het buurtpastoraat laat ik achter me, maar de unieke werkwijze van het buurtpastoraat is een blijvertje. 

Gerson Kranenburg, voormalig buurtpastor Stichting Buurtpastoraat Utrecht

Cor

Rond een uur of elf ’s ochtends bel ik  aan bij de intercom beneden.
Ja? klinkt het door de luidspreker.
Ik ben het, Heleen, zeg ik. Komt het uit?
Ja, kom maar, zegt hij en de deur gaat open.

Ik ben opgehouden afspraken te maken met Cor want die zegde hij heel vaak af. Dan kreeg ik appjes dat hij zich niet lekker voelde of dat hij niet goed had geslapen dus dat het nu niet uitkwam. Nu ik gewoon kom aanwaaien, mag ik altijd binnenkomen. In zijn pyjama doet Cor de deur open en loopt meteen door naar de keuken. Ik doe mijn schoenen uit en loop ook naar binnen. Wat heb je het nog koud en donker Cor! zeg ik tegen hem. Ja, de gordijnen heb ik nog niet open gedaan, ik lag toch nog in bed, kan de kachel ook wel uitblijven. Doe jij de gordijnen even open moppie, zet ik een bakkie voor je, gaat hij verder. Terwijl Cor in de keuken rommelt, doe ik de gordijnen open. Joop de kat begroet me met een kopje maar wordt resoluut van de bank afgehaald door Cor.

Hoe is je week? vraag ik, als we zitten met de koffie voor onze neus. Ja, gaat wel, is zijn standaard antwoord. En ik wacht…. ‘k Heb pijn in mijn benen, echt niet normaal! Gaat hij dan verder. Hij vertelt dat hij met zijn schoondochter even naar het winkelcentrum is geweest vorige week. Ze bleef maar gaan, echt waar ik kon niet meer! Ik denk dat ik wel vijf kilometer gelopen heb. En druk dat het daar was! Verschrikkelijk, ik doe het nooit meer, echt, ik doe het nooit meer!
Cor komt niet veel meer buiten, en al helemaal niet meer sinds zijn dochter begin dit jaar is overleden. Hij is bang dat mensen hem zullen aanspreken en zullen zeggen dat hij er slecht uitziet. Of dat ze zullen vragen hoe het met hem gaat. Dat wil hij niet en dus probeert hij dat te vermijden. Zijn zoons doen wat ze kunnen; ze doen boodschappen en proberen hem soms mee te nemen naar buiten. Met wisselend succes. Zijn kleinkinderen komen ook langs en proberen hem op te vrolijken. Maar hij vindt het al snel te druk of krijgt stress van de problemen die ze hem vertellen. Dan wordt hij kribbig en duwt hij zijn familie weg. Met als gevolg dat hij weer veel alleen is en hij zijn familie verwijt dat ze niet naar hem omkijken.

Cor rouwt. En dat is hard werken. In zijn toch al eenzame bestaan was zijn dochter degene die elke dag langs kwam. Die net zo vierkant uit de hoek kon komen als haar vader, maar wel zorg voor hem had; even de flessen en de blikjes wegbracht, even een halfje wit kwam brengen, een bosje bloemen van de markt. Die op hem foeterde als hij niet goed voor zichzelf zorgde. Dan werden ze boos op elkaar, maar soms hielp het wel.

Nu is er die ongelooflijke leegte, letterlijk ongelooflijk omdat Cor nog niet kan geloven dat ze er niet meer is. Cor dacht dat hij gek was en vroeg me of het wel normaal was dat hij nog niet kon voelen dat ze echt dood was. Het hielp hem te horen dat veel meer mensen dat ervaren bij geliefden die plotseling overlijden. Na een paar maanden kwamen plotseling zijn huilbuien, die hem ook overvielen. Zo vlak als hij zich eerst voelde, zo heftig was ook dit voor hem. En nu, gedurende de laatste weken, spreken we over wat hij mist aan haar, over hoe ze als kind was, over de begrafenis, over haar kinderen die nu allemaal ruzie met elkaar hebben waardoor Cor ook afstand heeft genomen van hen. Hij kan het niet aanzien, hij kan het er niet bijhebben.
Over de huisarts begin ik niet meer. Cor wil er niet naar toe. Wat kan hij doen dan? Haar weer terug brengen? Hij weet dat ik me zorgen om hem maak, maar hij kan het niet opbrengen, ook niet als ik met hem mee zou gaan. Dus houd ik hem scherp in de gaten en kom ik vaak langs. Toch fijn dat we weer even over d’r konden praten zo, zegt hij. Ik heb trouwens eindelijk dat geld teruggekregen van de belasting. Kan ik mooi voor d’r steen gebruiken, want het dooienfonds was veuls te weinig.

Heleen Heidinga, buurtpastor Stichting Buurtpastoraat Utrecht

De planten uit het trappenhuis

Terwijl ik omhoog loop in het portiek zie ik allemaal planten. Grote ficussen, yucca’s en geraniums. Ze sieren dit trappenhuis. Als ik op 4-hoog aanbel zie ik een man verschijnen. Ik vertel zoals gebruikelijk wie ik ben. Het kennismakingsgesprekje aan de deur doen we in het Engels en dan mag ik binnenkomen. De bewoner blijkt een alleenstaande man van pakweg 65 jaar te zijn. Hij biedt me een stoel aan in het zijkamertje, ik ben verrast door zijn gastvrijheid. Het is er vol. ‘Ik heb veel dozen’ zegt hij. Dan vraagt hij mij of hij de sleutel van zijn opslagcontainer eerder kan krijgen. ‘Omdat ik mijn dozen daar in wil zetten. Ik heb veel spullen. En ook veel planten’. Ik zie het. ‘Ik vind ze prachtig’. Dan vertelt meneer mij verhalen over de planten, hoe hij ze met zorg gestekt heeft en opgekweekt. Sommigen komen nog uit zijn land van herkomst in Azië. ‘Bent u ook degene die die mooie planten in het trappenhuis heeft geplaatst?’ ‘Ja. Mogen die blijven staan tijdens de werkzaamheden van het onderhoud?’ ‘Dat is een goede vraag. Ik denk het niet maar ik zou het even kunnen vragen.’

Een dag later loop ik langs de opzichter van het groot onderhoud bij deze flats. Ik vraag hem of de planten in het trappenhuis mogen blijven staan. Helaas, dat is niet mogelijk. Meneer moet ze allemaal weghalen. ‘En waar moet hij ze dan laten?’ vraag ik.  ‘In zijn opslagcontainer aan de straat’. ‘Die is pikdonker’. ‘Tja, da’s waar ook. Dan maar allemaal in zijn woning, onder een zeil!’ Ik schrik ervan en zeg: ‘ehm, dan doet zich het volgende probleem voor: meneer mag tijdens het groot onderhoud niet in zijn eigen woning; dus kan hij vijf weken geen water geven, lastig he?’ ‘Ja, dat is lastig; dan weet ik het niet’ zegt de opzichter. Maar na even peinzen biedt hij aan om intern te overleggen of meneer toestemming kan krijgen om na twee en halve week één keer zijn woning te mogen betreden, om de planten water te kunnen geven. Bij wijze van hoge uitzondering. ‘Maar dat kan alleen als iedereen van de bouw het ermee eens is hoor!’

Ik loop weer verder en hoop dat de opzichter dit voor elkaar krijgt. Als ik weer bij de flat kom, zit het probleem nog in mijn gedachten. Dan zie ik de benedenbuurman aankomen, we kennen elkaar al. Hij vraagt naar mij en ik vertel dat ik mij afvraag hoe het nou verder moet met die mooie planten van de bovenbuurman. ‘U weet wel, die planten in het trappenhuis!’ ‘Ja ja, dat weet ik. Die zijn mooi. Misschien kan meneer ze tijdelijk even tegen de zijgevel van de flat neerzetten; daar staan ook nog andere plantenpotten…’  Ik merk dat het meedenken van deze buurman direct volledig aangezet is. Ineens komt hij met het volgende voorstel: ‘Nee, beter is: meneer kan de planten gewoon bij mij in de achtertuin zetten! Geen probleem, ik heb plek genoeg.’ Ik maakte een sprongetje van blijdschap. ‘Wat aardig van u. Ik denk dat dit heel fijn voor hem is. Dank u wel. Ik ga hem dit vertellen.’

Titus Schlatmann, Buurtpastor Stichting Buurtpastoraat Utrecht

Alfredo

Op een middag in augustus heb ik een afspraak met Alfredo. Ik kom al jaren bij zijn ouders over de vloer maar hun volwassen zoon heb ik nooit ontmoet. Alfredo doet de deur open en ik loop achter hem aan zijn woonkamer binnen. De huiskamer van Alfredo is strak ingericht en er staan bijna geen meubels. ‘Ik heb een minimalistische levensstijl’, zegt Alfredo. Dat geeft me rust.’ Dat heb ik nog niet vaak gehoord in mijn werk als buurtpastor in Hoograven.

Alfredo heeft natuurkunde gestudeerd en een aantal jaar op een middelbare school gewerkt. Twee jaar geleden kwam hij thuis te zitten met corona. Aanvankelijk leek hij te herstellen maar de vermoeidheidsklachten bleven aanhouden en de prikkels van het onderwijs waren veel te veel voor hem. Inmiddels zit hij al bijna twee jaar thuis. Ik vraag hoe dat voor hem is. ‘Ik probeer er het beste van te maken en heb goede hulp van de fysiotherapeut’, zegt hij. ‘Maar het is ook wrang, want iedereen zat thuis maar de scholen moesten open blijven. En ik kreeg ook geen voorrang voor een vaccinatie. En nu heb ik long covid…’

Het ziet er niet naar uit dat Alfredo terug kan keren naar de school waar hij met veel plezier gewerkt heeft. Hij moet daarom een WIA uitkering aanvragen. Hij heeft alle papieren al met potlood ingevuld en vraagt mij het te lezen. ‘Wel fijn als je even meeleest’, zegt hij wat verlegen. Ik zeg dat ik me dat goed voor kan stellen. Alles is correct ingevuld en kan zo op de post.

Een paar weken later appt Alfredo mij een brief door van het UWV waarin gevraagd wordt of de uitkering direct naar hem gestort moet worden of dat dit via zijn werkgever gaat. Ik weet niet precies wat handig is. ‘Misschien verstandig om even met het UWV te bellen en te vragen wat gebruikelijk is?’ app ik terug. Even later krijg ik een appje terug: Kan jij misschien bellen want ik heb een traumatische ervaring gehad met een instantie en raak in paniek als ik moet bellen.’

Ik had Alfredo ingeschat als iemand die mondig is en zijn zaken goed kan regelen en had dit niet achter hem gezocht. Ik zeg dat ik dat naar vind om te horen en dat het goed is dat hij dat aangeeft. We spreken af dat ik bij hem langs kom en dan bel zodat we kunnen overleggen als dat nodig is. Later die week zitten we aan zijn eettafel om te bellen en worden we goed te woord gestaan. ‘Pff, wat vind ik dit spannend’, zegt Alfredo als ik heb opgehangen. ‘Wil je vertellen wat je hebt meegemaakt?’, vraag ik voorzichtig. Alfredo knikt en begint te vertellen. ‘Je weet toch hoe het erbij mijn ouders aan toe gaat? Mijn moeder altijd in de stress en mijn vader meer dronken dan nuchter?’ Ik knik. Alfredo vertelt dat hij hier als student enorm last van had. Op advies van zijn maatschappelijk werker heeft hij een kamer gezocht om meer rust te krijgen om te kunnen studeren. Hij is bij zijn oudere zus en zwager in Leidsche Rijn gaan wonen. Na enkele maanden stond er een inspecteur van Duo op de stoep om na te gaan of hij daar echt woonde. Alfredo was niet thuis en zijn zus wilde de inspecteur niet binnen laten. Een week later kreeg hij een brief van Duo. Zij beschuldigden hem van fraude, hij zou niet bij zijn zus maar gewoon bij zijn ouders wonen en ten onrechte een uitwonende beurs krijgen. Alfredo vertelt dat hij alles terug moest betalen, hij een boete kreeg en dat zijn studiefinanciering werd stopgezet. Tijdens de bezwaarperiode kwamen er steeds inspecteurs langs bij hem en zijn ouders om te achterhalen waar hij woonde. ‘Het was zo vernederend. Ik voelde me een crimineel. Ze hebben mijn kledingkast onderzocht en vroegen of ik kon bewijzen dat dit mijn kleding was en niet die van mijn zwager.’ Uiteindelijk heeft Alfredo een advocaat in de arm genomen en heeft hij de rechtszaak tegen Duo gewonnen. ‘Al met al heeft dat twee jaar geduurd en dat heeft mijn hele studententijd verpest.’ Ik vind het erg om te zien dat iemand slachtoffer is van een beleid dat op wantrouwen is gebaseerd en zeg dat ik snap dat hij geen vertrouwen meer heeft in overheidsinstanties. Alfredo zegt dat hij het stom van zichzelf vind maar zo in paniek raakt als hij moet bellen. ‘Ik vind het helemaal niet stom’, zeg ik. ‘Je bent slecht behandeld en dat vertrouwen is niet zomaar terug.’

Een paar weken later ben ik weer bij Alfredo. ‘Ik heb een vaststellingsovereenkomst gekregen’, zegt hij. Samen nemen we het door en vragen we juridisch advies voordat hij tekent. Alfredo is blij als alles blijkt te kloppen en hij een mooi bedrag op zijn rekening krijgt. Hij belt me op en vertelt dat het iets beter met hem gaat. ‘ En weet je wat? Ik heb mezelf eens verwend en heb een museumjaarkaart besteld dan kan ik er af en toe op uit  deze zomer!’

Elizabeth van Dis, buurtpastor Stichting Buurtpastoraat Utrecht

Precariteit

Soms zeg ik dat ik geen tijd heb als iemand voor de deur staat om te praten over energie bijvoorbeeld. Niet omdat dat zo is, maar omdat ik hem net niet goed kan verstaan en omdat ik dan bang ben dat ik iets fout doe.

Ik zit bij Nasra op de bank. Voor me staat een schaal heerlijke eigengebakken koekjes. Niet schamen Heleen, eten, spoort ze me aan. Dus neem ik een koekje. Twee jaar geleden is haar man plotseling overleden, het leven valt Nasra zwaar. Haar kinderen hebben verdriet, dat ze niet kan oplossen en zijzelf is ook helemaal kapot van binnen, zoals ze het noemt.

Ze hadden een goede verdeling, Nasra en haar man; hij regelde de geldzaken en de administratie, zij deed het huishouden, de boodschappen en de zorg voor de kinderen. Zij wilde toen niets van zijn zaken weten, vertelt ze. Maar het gevolg daarvan is, dat ze totaal niet wist hoe en wat toen hij plotseling stierf. Daar komt bij dat ze onzeker is over haar Nederlands. Ze spreekt het en verstaat het tot op zekere hoogte, maar de nuances mist ze, waardoor ze geen formele brieven kan lezen en mensen die snel spreken niet verstaat. En nu Heleen, mijn hoofd doet het helemaal niet, ik kan een woord leren, maar de volgende dag is het weer weg.

Ze heeft veel pijn in haar lijf, waardoor ze moe is en alles moeite kost. Ze heeft een foto laten maken omdat ze wilde weten waar die pijn toch vandaan kwam. Ze zeiden steeds dat het van de spanning kwam, maar dat geloofde ze niet. Toen bleek ze slijtage te hebben, dus er was wél een oorzaak aan te wijzen. Eigenlijk heeft ze veel fysiotherapie en oefentherapie nodig om haar spieren soepel te houden. Dat helpt tegen de pijn. Maar ze heeft maar 9 behandelingen die ze vergoed krijgt en zelf kan ze het niet betalen. Dus ze doet het alleen als het echt heel erg is.

De familie woont in haar moederland en eigenlijk heeft ze geen vriendinnen. Iedereen roddelt over elkaar, daar ga ik niet aan mee doen. Haar grote steun zijn de koranlessen die ze online volgt. Dan kan ze even alles vergeten en dat geeft haar troost en rust.

Haar oudste zoekt een stage voor na de vakantie. Dat lukt nog niet zo goed. Ik heb mijn hulp aangeboden en gevraagd of hij genoeg hulp en steun vanuit school kreeg. Want zijn moeder kan hem daar niet bij helpen. Opeens was Nasra bezorgd: zou het wel lukken op tijd, en wat als hij nu geen stage zou vinden? Hij had haar verzekerd dat ze zich geen zorgen moest maken, niemand uit de klas had nog een stageplek en dan zou school echt wel iets gaan bedenken. Hij beschermt zijn moeder, maar ik ben er nog niet gerust op.

Ik zie een dappere vrouw voor mij, die zo goed en zo kwaad als het kan zichzelf overeind houdt en haar kinderen opvangt in hun verdriet. Maar ik zie ook een gezin in precaire omstandigheden: hun steunpilaar is weggevallen en daarmee ook hun vraagbaak, hun tolk, degene met vertrouwen in de toekomst en kennis van zaken.

Ik ga kijken of ik met haar bijzondere bijstand voor medische kosten kan aanvragen. Zodat ze tenminste de zorg kan krijgen die ze nodig heeft. Ik luister, ik denk mee en ik neem de koekjes die ik iedere keer mee naar huis krijg in dankbaarheid aan.

Heleen Heidinga, buurtpastor Stichting Buurtpastoraat Utrecht

 

Buren

Buren

Meer dan 25 jaar woonde ik in Ondiep, de Tweededaalsebuurt. ‘Bij de watertoren’ zoals in Utrecht de geografische aanduiding is. Het was en is een straat en buurt in ontwikkeling met een redelijke diversiteit aan bewoners. Mijn straat had geen huurwoningen meer, maar uitsluitend koop.  Aan de achterkant zag je de meest bijzondere uitbouwen. Ik hoorde dat het altijd een arbeidersbuurt is geweest waar mensen net genoeg geld hadden om hun huis te verbeteren. De authentieke elementen die nu zo gewaardeerd worden waren allemaal verdwenen. Die waren wel behouden in de buurten waar geen geld was om de woning te verbeteren.
Ik heb er prettig gewoond. Zo langzamerhand was ik een van een langst wonende bewoners.
‘Echte’ Utrechters vertrokken naar een grotere woning of de stad uit. Huizen werden gesplitst voor kamerbewoning of appartementen, jonge mensen kwamen, groeiden uit hun huis en vetrokken naar elders. Ik bleef.
De huizen aan de andere kant van de straat grensden aan een binnentuin en dat bleek voor die kant van de straat een samenbindende factor. Samen opknappen, de kinderen liepen in en uit en er waren burenborrels. Het trok zo dat twee gezinnen verhuisden van de even kant naar de oneven kant. Het bracht samenhang bleek. Mensen bleven wonen en kinderen groeiden samen op.
Aan mijn kant van de straat was dat er niet.
Het was fijn wonen. Ik vond een tiener uit de straat die vaste kattenoppas wilde zijn, ik vroeg een buurman soms met iets zwaars te tillen. Een kort praatje op de stoep en daar bleef het bij.
Mijn vrienden en kennissen woonden elders in de stad. En dat gold voor meer mensen in de straat.
Onze oriëntatie was de stad en niet de straat.
De openbare ruimte in de straat was beperkt. De stoep stond vol met fietsen en als je even stond te praten moest je telkens opzij voor wandelaars of auto’s. Ik wist niet beter.  In de beginjaren zaten de oude Utrechters op een bankje voor. Dan bleef je even staan praten als ze daar zaten. Ik kwam zelden bij mensen thuis, dat was te privé. En een achterom was er niet.
De overkant trof elkaar in de binnentuin.
Een paar jaar had ik echt een leuk studentenhuis naast me. Ze pasten op de katten, ik kwam op feestjes en met een andere buurman was er een gedeelde interesse. Maar allemaal verhuisden ze.

En toen verhuisde ik ook. Omdat ik wat anders wilde, omdat ik in een rustiger omgeving wilde wonen en ‘groen’ miste.
Het werd een dorp in Drenthe. Niet naar het deel van Drenthe waar ik was opgegroeid, maar naar Diever. Veel 65plussers, veel toeristen in de zomer en ook veel import uit het westen.

Ik kreeg de rust en het groen. Maar ik kreeg veel meer. Ik kreeg er buren bij. En ik kon een goede buur zijn.
Buren die bezorgd waren of ik wel kon aarden (ik denk het wel zei ik, ik ben opgegroeid in Drenthe)
Een buurvrouw die jarenlang in Frankrijk woonde en die ook wel van een wijntje houdt.
Buren die kattengek waren en graag voor de katten zorgen en ik voor hun kat.
Buren die graag plantjes willen.
Een buurman die meeging naar de cursus manden vlechten.
Een buurvrouw die mijn grootste pan komt lenen voor de sedermaaltijd van de kerk.
Een verjaardagsochtend op woensdag met alle naaste buren.
Een begrafenis van een buurman waar de naaste buren samen heengingen

Een vriendin van me zei enigszins verbaasd en jaloers: je kent meer mensen in de straat na een jaar in Drenthe dan ik na 30 jaar in dezelfde buurt.
Dat zette me aan het denken. Wat was en wat is het verschil met mijn straat in Utrecht?
Is het de rust en de gemoedelijkheid? Het klopt dat het lijkt alsof er meer tijd is. Mijn buren zijn voornamelijk 60plus en niet meer werkzaam. Is het dat ik meer tijd heb?
Is  het omdat de overbuurvrouw en ik een laagdrempelige burenborrel op burendag organiseerden? Is het omdat ik soms extra kook en een paar buren dat graag willen hebben?

Het heeft volgens mij ook te maken met de openbare ruimte.
Iedereen in de straat heeft een voortuin. En een oprit. Als je elkaar treft dan is het daar en blijf je vaak even staan praten. Over de tuin, de kat of wat er maar speelt. Als ik echt wat gedaan wil krijgen in de voortuin, moet je wat kortaf zijn of het op een tijdstip doen dat er niemand langskomt.
Er is vrije ontmoetingsruimte, voordat je bij elkaar binnen komt. En dat gebeurt ook steeds meer.  Iedereen loopt achterom en de deur is vaak ‘los’. Van iedereen ken ik de naam.

Het is inderdaad een groot verschil met mijn oude straat. Anders divers dan in Utrecht, maar mensen van allerlei slag en met elk een eigen verleden en persoonlijkheid.
Geven en nemen, nieuwsgierig zijn, hulp aanbieden, hulp vragen, delen van je overvloed. Het zijn mooie ingrediënten die ik ook wel in Utrecht had. Maar ergens is het hier toch anders.
Een groot verschil is elkaar treffen en een neutrale ruimte hebben om het contact te laten ontstaan.
Eigenlijk net als vroeger in mijn Utrechtse straat toen er nog mensen op bankjes buiten zaten. Net zoals de oneven kan heeft met de grote binnentuin.

Nu we in sommige buurten vaak niet meer als vanzelf op bankjes op de stoep zitten in de stad is het belangrijk dat er voldoende openbare vrije ontmoetingsruimte wordt ingepland. Waar je niet opzij hoeft voor een fiets of auto, maar de tijd kan nemen. Zodat er iets kan ontstaan. En dan verder naar goed nabuurschap. Weer een bankje op de stoep zetten daar waar dat verdwenen is kan natuurlijk ook gewoon. En uiteraard buurpraatjes blijven maken.

Erica Euving

Gedicht van een buurtbewoner

Als buurtpastor in Rivierenwijk heb ik kennis gemaakt met Paul. Ik tref hem vaak buiten en als we aan de praat raken gaat het over van alles en nog wat. Paul deelt waar hij zich zorgen over maakt, zoals , boodschappen die duurder worden en hoe het verder zal gaan met zijn gezondheid. We praten ook over zijn wensen en dromen, bijvoorbeeld een reis naar Curaçao die Paul nog graag wil maken of zijn neefje die bij JSV Nieuwegein gaat voetballen. Paul maakt vaak lange wandelingen door de stad. Die werken voor hem bezinnend. Hij vindt daarin even de rust tot zichzelf te komen en na zo’n wandeling schrijft hij vaak gedichten op. Dit gedicht, ”de Lift”, is één van die bijzondere gedichten. (Robin de Jong)

 De Lift
Als man van in de vijftig maak ik graag lange wandelingen
Het bewegen van je voeten
Het geeft ruimte
Een gevoel van even niets moeten

Het rondkijken met de ogen, even kunnen stoppen
Daar haal je iets mee naar binnen
En twijfels gaan er uit
Zaken die je niet moet blijven opkroppen

Op één van deze wandelingen kom ik langs een eenzame lift
Ik heb hem al vaker gezien
Zonder dat hij mij denk ik kan zien

Een eenzame lift in een niemandsland van passanten
Bij wie hoort hij, in welke buurt is hij thuis
Hij staat net niet in de Dichtersbuurt
Maar ook niet in de Binnenstad
Officieel Stationsgebied, zo noemen ze dat
Maar wie staat hier stil, wie voelt zich hier thuis
Ik zie enkel passanten, druk en bezig, op weg naar werk of huis

Niemand lijkt oog te hebben voor de eenzame lift
Staande tussen ergens en nergens
De meeste voorbijgangers missen dan ook een belangrijk aspect
De anonieme lift is ook nog eens defect

Op zijn ruit staat al tijden een aanplak biljet
Erop gezet door de gemeentelijke dienst
Of een ander numeriek loket

‘Tijdelijk buiten gebruik’ kan men erop lezen
Maar hoe lang mag tijdelijk dan wel niet precies wezen

De passant in de drukte van moeten en doen zal het niet durven zeggen
Die heeft geen tijd om dat te weten
Maar ik, de langzame wandelaar, ben vaker bij deze lift stil staan wezen

Vier maanden zijn er al voorbij gegaan
Zonder dat de lift hulp heeft gekregen
Welke pleitbezorger heeft voor deze lift gebeld
De moeite genomen om het voor hem op te nemen

In de lente ging hij nog op en neer
Bracht hij passanten van boven weer naar benee
Bij kou, bij zonneschijn, eigenlijk wel bij ieder weer

Nu lijkt hij aan zijn lot overgelaten
Afgedankt en pech, zijn dienstbaarheid is weg
Bijna als ik denk dat het niemand meer kan baten
Betrap ik mij er zelf op dat ik tegen een lift sta te praten

Bewoner Paul
25 oktober 2022

Aan de keukentafel

Bij het aanvragen van ondersteuning in energiekosten komt er veel voorbij. Wat er allemaal rond de keukentafel gebeurt heeft Rutger van Breemen opgeschreven.

Veel buurtbewoners kampen deze periode met flinke zorgen over de energierekening. Ze wonen vaak in slecht geïsoleerde huizen en dat komt hen nu – letterlijk – duur te staan. Maandtermijnen voor energie van boven de €500 kom ik met regelmaat tegen. Zo ook bij de familie Andrès. Zij wonen met zijn vijven in een huurhuis: vader, moeder, en drie puberkinderen. Ze moeten rondkomen van een WIA-uitkering en een kleine aanvullende bijstand. Daarnaast betalen ze nog schulden uit het verleden af. En toen kwam ineens de brief van Eneco, dat hun nieuwe termijn ruim €650 per maand zou zijn.

Ik zit met mevrouw Andrès aan de keukentafel. Ze heeft een dik fleechevest aan, want de kachel is uit. We warmen onze handen aan de oploskoffie die ze gemaakt heeft. Op mijn laptop staat het lijstje met alle documenten die we moeten verzamelen voor de aanvraag voor extra ondersteuning in de energiekosten vanuit de gemeente. Het is een hele waslijst, die ze vragen. Sommigen zijn redelijk makkelijk op te sporen, zoals loonstroken, afschriften, beschikkingen van de toeslagen. Maar er wordt bijvoorbeeld ook een huurcontract gevraagd; terwijl ze al ruim 20 jaar in dit huis wonen. Samen zoeken we alle documenten, loggen we in met Digid en verzamelen we langzaam maar zeker alles wat we nodig hebben. Het is een hele klus.

Terwijl we zo bezig zijn, is het een komen en gaan van mensen in de keuken. Meneer Andrès komt de keuken in. Hey, Rutger, zegt hij, Lang niet gezien! Hoe is het met je? Ik zie hem weinig, want meestal slaapt hij nog als ik er ben, of is hij naar een therapie toe. Nu gaat hij even een boodschap doen en tref ik hem toevallig. We praten bij over zijn gezondheid en over de financiële zorgen. Maar daar weet zij meer van! zegt hij liefdevol. Als hij naar de winkel vertrekt, vervolgen wij onze zoektocht naar de documenten.

Een paar formulieren later komt Carlo, de jongste zoon, aanfietsen. Ik ken hem al sinds hij 9 was, en nu is het een 15-jarige knul die midden in de puberteit zit. Hey, zegt hij met zijn –tegenwoordig- zware stem, ik was mijn brood vergeten, dus nou ben ik in de pauze snel heen en weer. Hij drinkt snel een halve liter melk weg en stopt wat boterhammen in zijn tas. Ik vraag hoe het met hem en op school gaat. Goed, hoor, zegt hij, ik mag binnenkort stage gaan lopen. Dat lijkt me wel leuk! Zijn moeder breekt in: En hij heeft tegenwoordig een meisje, hè Carlo! Daardoor doucht hij ineens heel vaak. Weer allemaal extra gas! Carlo kijkt me verlegen, maar ook trots aan en zegt dan: Mam! Dat zou je niet aan iedereen vertellen… Zijn moeder lacht: Rutger mag het toch wel weten!

Rutger van Breemen

Gas d’r op

Energiearmoede. Het treft de één harder dan de ander. Heleen schreef begin van de zomer vanuit haar werkpraktijk deze column. Daarna zijn de prijzen nog verder gestegen en zien wij meer en meer huishoudens in de problemen komen.

Gas d’r op

‘Dit is toch niet eerlijk!’ zegt Anja gefrustreerd. ‘Vorige week zei mijn budgetcoach nog: je kan inderdaad het nieuwe maandbedrag van je energierekening niet betalen. Daar is geen ruimte voor. ‘En toen gingen we toch bellen met Eneco?’ ‘Toen zeiden ze toch: ja we kunnen het wel naar beneden schroeven maar dan heb je aan het einde van het jaar wel een probleem? ‘En dan zouden we in de tussentijd kijken naar oplossingen, ik ben toch niet de enige die dit heeft?’
‘Maar nu zegt mijn budgetcoach: ik heb er nog even over nagedacht maar ik denk toch dat het weekgeld omlaag moet en dan kun je van je vakantiegeld misschien iedere week een beetje aanvullen wat je tekort hebt.
‘En toen zei ik stop!’ ‘Niet verder praten. ‘Ik zit al drie jaar op een houtje te bijten.’ ‘Steeds hebben ze mij beloofd dat ik mijn vakantiegeld zelf mocht besteden.’ ‘Drie jaar kon het niet en dat snapte ik ook, maar nu wordt mijn zoon 18.’ ‘Ik heb hem beloofd dat ik zijn rijbewijs zou betalen, maar die belofte kan ik niet houden.’ ‘Ik dacht dat ik wel uit deze shitzooi zou zijn, maar nu dit.’ ‘Ik ben er wel bijna, dus dit jaar mocht ik mijn vakantiegeld zelf besteden.’ ‘Ik ga dat ook doen! ‘Ik kan een deel van zijn rijbewijs betalen en natuurlijk geven we een feestje, want hij wordt maar één keer 18.

Haar ogen spuwen vuur als ze verder gaat: ‘hij vond het niet verstandig en zei dat ik in de problemen zou komen en dat ik moet sparen.’ ‘Maar ik leef nu!’ ‘Misschien ben ik morgen wel dood.’ ‘Wat moet ik te sparen als ik geen eten heb aan het eind van de maand?
Boos kijkt Anja me aan. Ik kan haar geen ongelijk geven. Het doet pijn, wat ik zie en hoor. Van zoveel mensen de laatste tijd. Dit is groter dan dit gezin en daar moeten we wat mee. ‘Verschrikkelijk is het,’ verzucht ik met haar. ‘En het kan ook niet, je kunt het echt niet betalen.’ ‘Dus we moeten weer in gesprek met de gemeente.’
Bij de gemeente is het ook niet helder. We komen bij verschillende loketten terecht. Er blijkt toch een regeling te bestaan die tot 1 augustus loopt, maar dat moet je met speciale formulieren aanvragen die niet op de website staan. Bovendien moet je zo’n tien bewijsstukken naast je eindafrekening aanleveren. Wat er na 1 augustus gebeurt, is nog niet duidelijk.

Van de achthonderd euro kan ze de naheffing betalen en een deel van het eerste termijnbedrag dus dat is niet eens voldoende voor één maand.

Anja’s rekening is ruim €200 omhoog gegaan naar bijna €500. Er is geen enkele ruimte in haar budget om dit op te vangen, hoe hard ze ook bezuinigt op haar gebruik. Van de achthonderd euro vergoeding die de minima hebben gekregen, kan ze de naheffing betalen en een deel van het nieuwe termijnbedrag dus dat is niet eens voldoende voor één maand. En zo zijn er veel meer gezinnen in de Utrechtse buurten die na hun jaarafrekening acuut in de financiële problemen komen. De gemeente kan deze kosten niet allemaal opvangen. We staan erbij en we kijken er naar. Wie biedt? Gas d’r op!

Heleen Heidinga, buurtpastor Stichting Buurtpastoraat Utrecht