Ze is niet bang voor me

“Mijn buurtpastor en mijn broer”, antwoordt een gedetineerde op mijn vraag wie ‘buiten’ belangrijk voor hem zijn. Meneer komt uit een gebroken gezin en groeide op in een achterstandswijk. Zijn vader ontviel hem op zijn dertiende en met zijn moeder heeft hij al een tijd geen contact; zij verkoos haar nieuwe vriend boven haar twee zoons.

Meneer heeft al een paar keer vastgezeten. De hoeveelheid hulpverleners die hij de afgelopen jaren voorbij zag komen, is niet te tellen. Vertrouwen heeft hij niet meer in de hulpverlening. Daarvoor zag hij teveel verschillende gezichten in korte tijd. Dat begon bij hem al in de jeugdzorg, waar sprake was van een hoog ziekteverzuim en grote uitstroom van medewerkers. Constante factoren de afgelopen jaren waren zijn wijkagent en de buurtpastor.

“Bijzonder aan de buurtpastor is, is dat ze niet bang voor me is. Zij gelooft in mij, dat voel ik en dat weet ik door hoe ze naar mij kijkt en tijd voor me maakt, ook als ik me door mijn gedrag weer eens totaal onmogelijk gemaakt heb. Zij kent mij en doorgrondt mij en ze schuwt de confrontatie niet.

Ze zoekt me op als ik mezelf onvindbaar maak voor de hulpverlening, alsof ze aanvoelt dat ik door mijn afwezigheid in de wijk juist schreeuw om aandacht en een beetje liefde. Alsof ze aanvoelt dat ik dan weer wat stoms gedaan heb. Dan zwaait ze naar me, gaat op de grond zitten zonder wat te zeggen. Soms zijn we wel vijf minuten stil. En vaak begin ik dan. Te schelden, te janken of te fluisteren, het maakt niet uit want ik weet dat zij het kan hebben. Ze luistert. En zit daar met een lieve glimlach, blij dat ze me gevonden heeft.

Als het nodig is, durft ze me de waarheid te zeggen ook al weet ze dat ik dat heel pijnlijk vind. En dus ook heel boos op haar kan worden. Het klinkt misschien raar maar deze vrouw houdt van mij en daar snap ik vaak zelf niks van want ik gruw vaak van mezelf en mijn vreselijke gedrag”, aldus de gedetineerde. “Toch houdt ze van me.”

Geert Rozema, bestuurslid
Hij werkt als rk geestelijk verzorger in een gevangenis

 

Een bom in de straat…

Dat was schrikken. Eind juli ontplofte er een bom in Kanaleneiland. In een flatportiek, op 1-hoog. Midden in de nacht gebeurde het. De mensen schrokken wakker en diverse ramen lagen er uit. Het bleek een bombrief. Er zijn sterke vermoedens dat dit een afrekening in het drugscircuit was. Ik voel nog de verbijstering en ontzetting bij de buurtbewoners die ik erover sprak. “En wanneer zijn we nou weer veilig, wij en onze kinderen? Wie zegt ons dat het niet nogmaals gebeurt?” De politie doet z’n best, de wijkagent komt vaker langs, maar de schrik zit er goed in.

Het drugsgerelateerde geweld is heel dichtbij in deze straat. Dat is de leefwereld waarin ook veel kinderen opgroeien hier. Een aantal van die kinderen maak ik mee in mijn werk hier als buurtpastor. Ik leer ze kennen bij de kindertuintjes in deze straat. Twee jaar geleden zijn die tuintjes hier aangelegd, bedoeld voor de kinderen. Sinds enige tijd kom ik er ook graag even langs. In het begin stond het onkruid erg hoog en gebeurde er niet veel. Maar er is wat veranderd. Als ik er nu na schooltijd ben, komen er vaak meerdere kinderen. Zo leren we elkaar steeds beter kennen. Ik help een beetje met het wieden in de paadjes, terwijl de kinderen zich bezig houden met hun eigen tuin. Ondertussen praten we over van alles en nog wat; over wat ze willen zaaien, over hoe dat moet, over wie er ook een tuintje mag, over het organiseren van tuingereedschap, over de beestjes die we tegenkomen en of ze gevaarlijk zijn, over het hek eromheen, over school, over vriendjes en over rotjongens, over op vakantie gaan of niet – over duizend en een onderwerpen uit het leven van deze kinderen. Ik merk dat deze tuintjes steeds meer een plek van ontmoeting en gezelligheid worden, een plek waar ze graag komen.

Laatst zei een van de jongens tegen mij: meneer, ik ga zo weer spelen hoor, maar 1 ding wil ik u nog wel even zeggen: wat goed dat u naar kinderen luistert!… Ik was verrast en vereerd. Het is precies wat ik wil; aandacht geven aan deze kinderen. Zodat ze ontdekken wie ze zijn en wat ze willen. En hopelijk in de toekomst niet bezwijken voor de verleiding om het snelle geld te verdienen met het wegbrengen van drugspakketjes… Zodat ze uit het drugsgeweld blijven… De burgemeester zei laatst ook al in de media, dat er nodig preventief gewerkt moet gaan worden. Nou, we doen ons best!

Tussen witte bonen en asjoerasoep

Ik krijg een spraak WhatsApp van Esila: “Heleen, heb je morgen tijd? ik wil praten.” Ik stuur een spraakberichtje terug, dat ik ’s ochtends langs kan komen. Er is van alles aan de hand met haar kinderen dus ik kan wel zo ongeveer raden waar het gesprek over zal gaan. Vorige week hebben we een gesprek gevoerd met andere hulpverleners. Esila moet dat dan altijd even laten bezinken en wil daarna vaak nog eens met mij samen van gedachten wisselen en vragen stellen die ze nog niet bedacht had of die ze niet durfde te stellen in het eerdere gesprek.

witte bonenAls ik binnenkom ligt de woonkamer vol met bonen uit de tuin. “Wow, wat veel!” zeg ik, “wat ga je er nu mee doen?” Ze vertelt dat ze de bonen allemaal stuks stuks gaat verdelen in zakjes en dan gaat invriezen. “Heel lekker Heleen, met vlees en couscous en dan beetje bonen.” Ze vraagt of ik ook van witte bonen houd en die veel gebruik. Ik vertel dat ik witte bonen eigenlijk alleen ken van witte bonen in tomatensaus uit een pot en dat ik dat niet zo lekker vind. Esila verzekert mij dat dit echt heel anders is en dat ik het eens moet proberen in een vleesgerecht. “Ik kom graag bij jou in de leer”, zeg ik lachend. “Goed, goed”, zegt ze, nu ook lachend. Als Esila kookt en vertelt over eten, dan is zij in charge. Dan kan ik van haar leren.

Ik krijg thee en een soort zoete soep. “Heleen, eten”, zegt ze in haar typerende Nederlands dat ik inmiddels heel goed begrijp. Het blijkt asjoerasoep te zijn. Die hoort op de tiende dag van het nieuwe Islamitische jaar met elkaar gegeten te worden. Esila vertelt dat ze die soep dus eigenlijk gisteren had moeten uitdelen, maar door alles wat er toen gebeurde met haar zoon,  is ze dat helemaal vergeten. Terwijl ik soep eet, vertelt zij. Ik luister en stel vragen. In al die jaren dat ik haar nu ken, zie ik dat ze enorme stappen heeft gezet als het gaat om haar zoon. Het zijn kleine stapjes geweest met veel vallen en opstaan, maar als je terugkijkt kun je de verandering duidelijk zien. Ze heeft aan den lijve ondervonden dat het voor hen allebei niet goed is om hem steeds de hand boven het hoofd te houden. “Ja Heleen, niet makkelijk”, zegt ze, terwijl ze haar tranen droogt. “Nee, dat is het zeker niet”, zeg ik, terwijl ik mijn laatste hap soep neem. “‘Maar je hebt het goed gedaan. Als je bedenkt hoe het vijf jaar geleden tussen jullie ging, hebben jullie samen toch al heel wat veranderd.”

“Ja, dankjewel,” zegt ze met een waterig lachje. We zijn samen even stil en laten alles bezinken.

“Nog soep, Heleen?”

“Mijn geloof gaat om mensen helpen”

Door Elizabeth van Dis, buurtpastor Hoograven-Zuid 

Elizabeth wordt geraakt door het verhaal van Aya. Om de zorg die ze had voor een alleenstaande zieke man. Om haar moed en trouw, en om haar worsteling met de beeldvorming van moslims in de samenleving.

Op een avond ontvang ik een appje van Aya. Ze wil onze afspraak verzetten omdat ze net een rouwkaart had ontvangen en naar een crematie moet en wil. “Er zit een verhaal achter’, schrijft ze: “Dat wil ik graag aan je kwijt. Zullen we snel een nieuwe afspraak maken?!”
Een paar dagen later zit ik bij Aya op de bank. “Goh, je had een crematie”, zeg ik. “Nog gecondoleerd.”
Aya begint te vertellen: “Ik ken Jan al een paar jaar. Een vriendin van mij heeft ons in contact gebracht. Zij hielp Jan met zijn huishouden en boodschappen, maar kon dit wegens ziekte niet meer doen. Ze vroeg me toen of ik het van haar kon overnemen.”
Jan was een oudere man zonder partner of kinderen. Nadat hij gepensioneerd was, leidde hij een teruggetrokken leven. “Ik ben een Marokkaanse moslima en hij was een Nederlandse homo, maar wij hadden zo’n goede band en we begrepen elkaar zo goed.”

Bijna elke week ging Aya even bij Jan langs voor een boodschap of een huishoudelijk klusje. Vaak lag Jan helemaal op de zolder, die alleen met een vlizotrap te bereiken was. Aya had de sleutel, ging een tijdje naast zijn bed zitten en maakte een praatje. Behalve Aya kwam er niemand bij Jan over de vloer. Dat liet hij niet toe.

Een paar weken geleden appte Aya of Jan nog boodschappen nodig had. Ze kreeg geen reactie terug en belde hem op. Jan voelde zich niet zo lekker en Aya ging bij hem langs en bracht de boodschappen. ‘App me als je hulp nodig hebt Jan, laat me weten als het niet goed gaat’, zei ze toen ze vertrok. Het weekend daarop kreeg ze een appje met slechts de tekst: ssssss. ‘Wat heeft dit te betekenen?’, vroeg ze zich af en ze probeerde Jan te bereiken. Toen dat niet lukte besloot ze naar hem toe te gaan. Toen ze binnenkwam zag ze dat het wisselgeld van de boodschappen nog op tafel lag zoals zij dat de vorige keer had achtergelaten. Ze kreeg een raar gevoel in buik en sprak zichzelf toe: ‘Ik moet naar boven gaan om te kijken.’ Bevend beklom ze de vlizotrap. In één oogopslag zag ze, dat Jan overleden was. Ze kwam dichterbij en zag de telefoon in zijn hand met op het scherm het laatste bericht dat hij haar had getypt. Ze huiverde en ging weer naar beneden. Ze belde 112 en deed haar verhaal.

‘Dat was moeilijk, Elizabeth, ik was zo in shock. Jan was dood! Ik was zo gestrest.’ Eerst wilde de hulpdiensten niet komen, omdat Jan al overleden was, maar Aya bleef volhouden en er werd gezegd dat er iemand zou komen. Ze moest ruim een uur wachten tot de politie arriveerde. Ondertussen spookte er van alles door haar hoofd: ‘Jan is overleden wat erg… Wat had hij mij nog willen zeggen? Zou ik ergens van beschuldigd kunnen worden? ’ De politie zei tegen Aya, dat ze weg mocht gaan, maar ze wilde wachten tot het onderzoek afgerond was. Na enige tijd vertelde de politie, dat Jan een natuurlijke dood was gestorven. Een paar dagen later volgde de crematie.

“Het was in Soest en ik was de enige met hoofddoek. Ik dacht: De mensen denken vast dat ik een terrorist bent… Maar ik moet hierbij zijn, voor Jan.”
Na de crematie brak Aya en huilend verliet ze het crematorium. De volgende dag belde de zus van Jan. ‘Waar was je na de crematie? We wilde je graag spreken en bedanken voor alles wat je voor Jan hebt gedaan’, zei zijn zus. Aya vertelde haar, dat ze zo verdrietig was en daarom naar huis was gegaan. Een paar dagen later kwam de familie van Jan op bezoek met een mooie bos bloemen. Ze waren dankbaar voor alles wat Aya had gedaan.

“En weet je wat ik nou zo mooi vind, Elizabeth?” “Nou?”, vroeg ik. Ze vervolgt: “Marokkanen komen vaak negatief in het nieuws en er gebeuren verschrikkelijke dingen met terroristische aanslagen, maar ik kon laten zien dat er ook goede Marokkanen zijn. Mijn geloof gaat om mensen helpen en dat kon ik laten zien!”

Ik ben geraakt door het verhaal van Aya. De zorg die ze had voor Jan, haar moed en trouw en haar worsteling met de beeldvorming van moslims in de samenleving. Ik vraag haar of ik haar verhaal mag opschrijven voor de nieuwsbrief. “Heel graag!”, zegt Aya.

Een avondwandeling

Door buurtpastor Robin de Jong

In september 2020 ben ik gestart als de nieuwe buurtpastor in Rivierenwijk. In deze eerste maanden doe ik een exposure (blootstelling) in de wijk. Exposure is ook te verstaan als je laten onderdompelen in je eigen kwetsbaarheid en naaktheid.
Je wandelt zonder aanknopingspunten, doelstellingen of agenda door de straten. Je komt niets halen maar je probeert beschikbaar te zijn voor bewoners. Aan te sluiten op de leefwereld van een ander, zijn of haar verhaal beetje bij beetje te leren kennen.
Ik wandel alleen en dat voelt vaak onbestemd en onbehagelijk. Ik heb nog geen mensen leren kennen, er zijn nog geen voordeuren waar ik welkom ben, geen plaatsen waar ik mij ‘thuis kan voelen.’

Onlangs maakte ik in deze donkere dagen voor Kerst een avondwandeling door Rivierenwijk. Achter de talloze ramen van de huizen spelen zich allerlei taferelen af:

Een grootmoeder met baby op de bank die naar de televisie kijken, een oude meneer achter een werktafel met grote lamp die treintjes verft, studenten die met elkaar aten, ouders die een ruziënd kind proberen te vermanen. Het is intiem. Het voelt herkenbaar en dichtbij.

Zoveel verschillende soorten levens en tegelijk zoveel overeenkomsten met je eigen leven. Ik was alleen op straat, maar toch gaven de taferelen in die huiskamers mij een gevoel van verbinding. Ik had het net zo goed zelf kunnen zijn.

Het deed mij denken aan het Kerstverhaal. Niet het verhaal wat alle grootsheid en glorie over de komst van de Mensenzoon benadrukt, maar een verhaal over een eenvoudig Joods echtpaar die in armoede, kou en ontbering op zoek zijn naar een plek van gastvrijheid, een plek om thuis te noemen.

Een plek, al is het maar voor even, perspectief en hoop kan bieden. Dat is voor mij Kerst. Dat door de duisternis en rauwheid van het leven heen, hoop verschijnt als een perspectief.

Een (giraffen)blik zegt meer dan…

Door buurtpastor Rutger van Breemen

Het was haar laatste wens: nog één keer naar de dierentuin, samen met haar geliefden. Ze is in de allerlaatste fase van haar ziekte gekomen en er was nog een aantal dingen die ze wilde doen. De dierentuin was misschien nog wel de grootste wens. Nog één keer naar de aapies!

Ik had de Stichting WensAmbulance Utrecht benaderd met deze wens en zij wilden graag meewerken. Zo vertrokken we van Utrecht op weg naar Rotterdam. Ik mocht samen met een van haar kleinzoons in de ambulance meerijden en haar dochter en andere kleinzoon reden met Monique mee. De speeltuinwerker die ook meeging, zouden we in Rotterdam treffen.

Het was fantastisch weer voor eind november: zonnetje, weinig wind en een aangename temperatuur. We begonnen bij het tropisch regenwoud. Daar fladderden talloze kleurrijke vlinders. Ze is dol op vlinders; haar hele huis hangt er vol mee. Het doet aan haar man denken. Hij is een vlinder geworden bij zijn overlijden, en zij gaat dat ook worden. Met een brede lach op haar gezicht lag ze te genieten van al de fladderende kleurenpracht om haar heen. Ze stak haar hand omhoog, maar geen van de vlinders durfde het aan om op haar hand te landen.

Langs leeuwen die haar brullend begroetten, kleurrijke vogels en salto-makende aapjes kwamen we in het Savanne-gebied. Via een loopbrug kwamen we bovenin het giraffenverblijf aan. De giraffen waren binnen, omdat ze net eten hadden gekregen. We stonden op een platform, waardoor we ongeveer op ooghoogte met de giraffen stonden. En toen gebeurde het. Een van de grootsten van het stel zag ons staan en kwam eens even polshoogte nemen, wie er zijn huis waren binnengekomen. Toen hij haar zag liggen op haar brancard, kwam hij dichter- en dichterbij. Zo dichtbij als hij maar kon. Hij keek haar recht aan. Met zijn grote ogen met lange wimpers. Hij bleef kijken. Diep, indringend, maar tegelijk begripvol en geduldig. Samen met de giraf zat ze minutenlang in dat moment. Er werd geen woord gezegd; alleen hun kruisende blikken, een zwijgend, verstild kijken. Zij en hij, samen in het moment. En wij stonden eromheen, als getuigen.
Heel even nam hij alles op zijn hoge schouders, zo leek het. Zo vóélde het. Ze moest erom huilen. “Dit had ik echt nooit willen missen! Hij begrijpt me gewoon. Hij voelde het aan! Dit zal ik nooit vergeten!”

Ontvangen worden in Kanaleneiland

door Buurtpastor Titus Schlatmann

Vanochtend bracht ik een bezoek aan de ‘doorgeefwinkel’. Dat is een tot winkeltje omgebouwde garage, onderin een flat, hier in Kanaleneiland. Iedereen kan er overtollig huisraad en kleding brengen, en iedereen mag er ook weer uitzoeken wat hem/haar van pas komt. Zo worden nog bruikbare spullen aan een ander doorgegeven. Een mooie formule. Het winkeltje is er nog niet zo lang. Het wordt gerund door buurtbewoners en het wordt steeds bekender en populairder. Ik kom er zelf ook graag elke woensdag even langs. Omdat ik het mooi vind wat hier gebeurt, én omdat ik graag in contact kom met buurtbewoners. En hier kan dat op een heel ongedwongen, alledaagse wijze; door gewoon rustig te kijken wat er in de rekken hangt en te zien wie er op dat moment is.

Vandaag wordt ik begroet door vrijwilligster A. ‘Zo, ben je daar weer! Ik heb het druk hoor; er zijn veel spullen gebracht, die moet ik allemaal uitzoeken.’ ‘Nou, ik zie het, je bent er maar druk mee!’ B begroet mij ook, een jonge man van ongeveer 30 jaar. Vorige week hadden we elkaar ook gezien, en dat wist hij nog. Ik kon hem toen eigenlijk niet zo goed volgen en verstaan. Nu zegt hij: ‘Het gaat weer beter met mijn elleboog’. En hij wijst naar zijn arm.  Ik had vorige week ternauwernood begrepen dat hij klachten had. ‘Wat fijn!’ zeg ik. Vandaag begrijp ik ineens dat hij hier in de flats de portieken schoonmaakt. Aha, dan is het belangrijk dat je geen pijn hebt in je arm…

Ik sta op de stoep voor de winkel, tussen vrijwilligsters en bezoekers. Dan komt de bovenbuurman uit de flat, met een blad met kopjes en een theepot. Hij schenkt voor iedereen marokkaanse thee in, dat zag ik hem de afgelopen weken al vaker doen. Ik krijg ook thee van hem aangeboden. ‘Wat lekker, dankuwel’. Hij zegt dat we moeten gaan zitten. Dat doen we en ik raak in gesprek met degene die naast me zit. Dan komt er een schaal met cake voorbij. Ineens is de stoep een terrasje geworden, waar we gezellig bij elkaar zitten. Omdat het buiten is voelt het voor mij redelijk corona-veilig…  Eén van de vrijwilligsters met wie ik enkele weken geleden hier heb kennis gemaakt, zegt tegen een bezoeker: ‘Kijk, dat is Titus, de buurtpastor, hij praat met iedereen’. Ik kijk er van op en bedank haar voor deze introductie. Ik word er blij van. Het is namelijk niet altijd zo makkelijk om uit te leggen wat je als buurtpastor komt ‘doen’. Des te fijner is het voor mij om te merken dat een buurtbewoonster op deze manier aan iemand anders vertelt hoe zij mij beleeft. De herkenning, de begroeting, de thee: dit alles voelt als een gastvrij onthaal. Dat ik op deze informele plek op deze manier ontvangen wordt, helpt mij bij mijn weg door deze wijk. Stap voor stap opent deze zich.

Over de drempel

door Buurtpastor Rutger van Breemen

Na de lange weken van thuiswerken ben ik voor het eerst weer eens in Utrecht. Een buurtbewoner heeft een afspraak in het ziekenhuis en ze heeft gevraagd of ik mee wil gaan. Het was een spannend onderzoek en ze wilde eigenlijk niet alleen gaan. Dus voor het eerst sinds half maart zit ik in de bus, met m’n mondkapje, op weg naar Utrecht. Ik moest wel een drempel over voor mezelf. Een vreemd soort spannend, vind ik het. Ergens tussen blij- en bangspannend in: het was een heerlijk gevoel om weer eens ‘live’ aan het werk te zijn, maar het was ook eng: Hoe gaat dat eigenlijk in het OV? Hoe gaat mijn werk nu, lukt het om de afstand te behouden en me aan de maatregelen te houden? Hoe gaan anderen daar mee om? Kan ik wel bij mensen naar binnen? Hoe bewaak ik zelf mijn eigen grenzen daarin? Iets dat ik al vier jaar doe, wordt ineens iets dat ik voor het eerst ga doen. Het is vertrouwd en nieuw tegelijk, herkenning en aftasten.

Nadat ik met de buurtbewoner in het ziekenhuis ben geweest, fiets ik naar de buurt. Het is gelukkig mooi weer, denk ik op de fiets, dan is het makkelijker om even op straat contact met mensen te hebben. Hoe zou dat gaan als het stortregent….? Ik neem me voor om vandaag in elk geval nog niet bij mensen naar binnen te gaan, voor mijn eigen zekerheid en gemoedsrust. Stapje voor stapje…

Ik fiets de buurt in en het voelt als thuiskomen. Wat is het lang geleden dat ik hier geweest ben en wat is het fijn om er weer te zijn. Ik betrap mezelf erop dat ik rondspeur naar dingen die de afgelopen maanden veranderd zijn. Dat blijkt allemaal nogal mee te vallen. Het is gewoon mijn oude vertrouwde buurtje. Ik kom aan bij de speeltuin en wordt begroet door een aantal kinderen. Net alsof ik niet weken weg ben geweest. Gaan we nog ergens naar toe deze vakantie? vraagt een jongetje me na een vlugge hoi. Dat zit er vanwege alle covid-maatregelen helaas niet in dit jaar. We praten wat over hoe hij het ervaren heeft en hoe het was zo’n tijd zonder school. Lekker veel buitenspelen!

Terwijl ik in de speeltuin bijklets met buurtbewoners die voorbij gaan zie ik aan de overkant van de straat af en toe een buurtbewoner, met wie ik regelmatig optrek, in de deuropening verschijnen. De eerste keer heb ik naar haar gezwaaid en ze zwaaide uitgebreid terug. Maar na de derde keer dat ze even naar buiten komt, krijg ik het gevoel dat ze er iets mee wil zeggen. Ik loop naar haar toe. Ja, zegt ze als ik haar nader, mijn kleinkind ligt boven te slapen, vandaar dat ik niet naar je toe kom. Maar, jij bent ook weer op pad zie ik? Een gesprek op 1,5 meter volgt over de maatregelen, de lockdown, hoe het hen en mij vergaan is, over hoe saai het was dat thuiszitten, de (klein)kinderen.

En kom eens kijken! ze klinkt enthousiast en gaat me voor haar woonkamer in, Tadaaa! Ik zie een volledig nieuwe inrichting. We gingen toch niet op vakantie dus we hebben er eens lekker nieuwe meubels van gekocht. Ik ben er zó blij mee! Trots laat ze me zien wat ze gekocht hebben; ze wijst me op elk detail. Mooi hè? Terwijl ik haar meubels bewonder en geniet van haar enthousiasme en trots, besef ik ineens mijn voornemen om niet bij mensen binnen te gaan, en nu sta ik toch binnen, met 1,5 meter tussen ons…Zo gaat dat dus!

Wil je nog koffie?

“Wil je nog koffie?”

– over gedwongen afstand en gemis van nabijheid door de Covid-maatregelen in de eerste twee maanden van de intelligente Lock-down (16 maart – 15 mei) –

Rutger van Breemen, Elizabeth van Dis,  Heleen Heidinga,  Titus Schlatmann

“Als pastor ben je je eigen instrument” – het is zo’n gevleugelde uitspraak, dat het bijna als een open deur en een platitude aanvoelt. Te pas en te onpas wordt hij gebruikt om maar te onderstrepen dat je als pastor – naast alle geleerde kennis  – vooral jezelf meebrengt in de omgang met mensen en dat je het met je eigen  (lichaams)taal, gevoel, kennis, en talenten moet zien te rooien. We werken vanuit de presentiebenadering, waarin de relatie met en het aansluiten en afstemmen op de ander de kern van ons werk is. We, reflecteren daarom veel en vaak op ons werk. Wat zie je? waarom zie je juist dat? Waarom neem je deze afslag in een gesprek? Hoe bepaal je je koers? Dit zijn vragen om onszelf als werker beter in beeld te krijgen, zodat we (pastorale) zorg kunnen bieden die de ander als ‘goed’ ervaart.  Daarbij maken we gebruik van alles wat zijn, kunnen en meebrengen en van de relatie die we met de ander hebben opgebouwd.

Je merkt pas hoe erg je al die instrumenten nodig hebt en gebruikt, als dat instrumentarium wegvalt, doordat je, zoals nu tijdens de coronamaatregelen, ineens niet meer bij mensen thuis over de vloer kunt komen, of zelfs niet eens fysiek, face-to-face, met mensen kunt spreken.

De laatste weken is het contact dat we hebben met buurtbewoners beperkt geworden tot telefoongesprekken, videobellen en whatsappen. Het is ontzettend mooi dat we tegenwoordig deze communicatiemiddelen hebben om ondanks de grote afstand en alle maatregelen toch in contact te blijven met buurtbewoners – en we horen terug dat het erg gewaardeerd wordt. Toch bleken er al snel  haken en ogen te zitten aan die digitale communicatie. Behalve de mensen zelf, missen we  belangrijke instrumenten, die we normaal gesproken haast onbewust gebruiken. In onze contactmomenten en relaties met bewoners blijkt opeens hoeveel van deze instrumenten  een rol spelen in het aansluiten en afstemmen, die we nu niet kunnen inzetten.  Omdat we vanuit huis moeten werken, wordt opeens nog scherper wat er allemaal mee speelt in ons werk en waarom we ons zo onthand voelen nu we niet in de leefwereld van onze buurtbewoners kunnen zijn en in de haarvaten van de buurt. Wat we missen in het contact met bewoners, nu we niet bij ze op de bank kunnen zitten, door de buurt kunnen lopen en een praatje hier en daar kunnen maken, nu we niet een potje kunnen voetballen in de speeltuin of samen kunnen schommelen.

Daarover gaat dit stuk: niet zozeer over het werk van de buurtpastores, maar over hun instrumenten en het gemis daaraan in de coronacrisis. Hieronder willen we een aantal aspecten benoemen waar we ons door de fysieke afstand bewust van zijn geworden.

Hier kun je het volledige artikel  downloaden:   BPU ten tijde van Covid 19 maart- mei 

In onderstaande video vertelt  Heleen Heidinga over de ervaringen.
https://youtu.be/38zAXH1fIo8

 

Buurtpastoraat in Coronatijd

door Heleen Heidinga, buurtpastor Geuzenwijk

Rosa, een alleenstaande dame uit mijn buurtje, is getuige geweest van een vechtpartij rondom de supermarkt. In deze Corona-tijd die haar toch al labiel maakt, heeft dat oud zeer bij haar opengereten. Haar bloeddruk is tot gevaarlijke hoogte gestegen. Ze stuurt me een appje dat ze bang is en of we even kunnen bellen.

Ik ben blij dat ze van zich laat horen. Nu ik niet in de buurt kan zijn door het Corona virus en niet bij mensen kan aanwaaien, merk ik dat ik zaken mis. Anders had ik misschien via via gehoord over het incident en wie er allemaal bij waren en had ik bij haar langs kunnen gaan. Nu bespreken we telefonisch wat er bij haar losgekomen is wat nu verstandig is te doen.

De huisarts heeft gevraagd of ze langs kan komen, maar ze ziet het niet zitten om daar alleen naartoe te gaan. Als het je helpt, kan ik wel met je mee fietsen, bied ik aan. We kunnen prima anderhalve meter afstand houden en dan wacht ik gewoon buiten. Ze is ontroert en onthand door mijn aanbod, voelt zich een last maar neemt het toch aan. We wachten het telefoontje van de arts af.

Aan het einde van de ochtend appt ze me dat de huisarts gelukkig ’s middags bij haar langs kan komen. Alleen al het feit dat ze moeite voor me doet, doet me al goed merk ik, appt ze. ’s Avonds ontvang ik bericht dat ze in het ziekenhuis ligt. De huisarts vertrouwde het niet en heeft haar doorgestuurd. Ik ben nu in goede handen, en iedereen is zo vriendelijk Heleen! Ik schrik van haar ziekenhuisopname maar hoor dat het haar rust en een gevoel van veiligheid geeft. Dat kan alleen maar goed zijn voor haar bloeddruk!

De volgende dag mag ze weer naar huis en bel ik haar even om te horen hoe het gaat. Ze zegt dat ze zich een stuk beter voelt en gerustgesteld is door de positieve resultaten van de onderzoeken. Maar wat haar vooral zo goed gedaan heeft, is de mensen die zo aardig waren: Ik heb gisteren een dag beleefd met zoveel liefdevolle zorg, tijd en aandacht! Het laat de negatieve gevoelens naar de achtergrond verdwijnen Heleen. Wauw, wat bijzonder, zeg ik, wat mooi dat dat het gevoel is dat je overhoudt aan een dag die zo naar begon. Ze vertelt dat ze dankbaarheid voelt en dat ze zich weer eens te meer heeft gerealiseerd hoe belangrijk tijd en aandacht en menselijkheid zijn als je anderen nodig hebt. En weet je wat ik hoop Heleen?  Ik hoop dat we dat meenemen naar de tijd als alles weer normaal wordt.

(deze column verscheen ook in Tussentijds Magazine, parochieblad van Katholiek Utrecht)