Een avondwandeling

Door buurtpastor Robin de Jong

In september 2020 ben ik gestart als de nieuwe buurtpastor in Rivierenwijk. In deze eerste maanden doe ik een exposure (blootstelling) in de wijk. Exposure is ook te verstaan als je laten onderdompelen in je eigen kwetsbaarheid en naaktheid.
Je wandelt zonder aanknopingspunten, doelstellingen of agenda door de straten. Je komt niets halen maar je probeert beschikbaar te zijn voor bewoners. Aan te sluiten op de leefwereld van een ander, zijn of haar verhaal beetje bij beetje te leren kennen.
Ik wandel alleen en dat voelt vaak onbestemd en onbehagelijk. Ik heb nog geen mensen leren kennen, er zijn nog geen voordeuren waar ik welkom ben, geen plaatsen waar ik mij ‘thuis kan voelen.’

Onlangs maakte ik in deze donkere dagen voor Kerst een avondwandeling door Rivierenwijk. Achter de talloze ramen van de huizen spelen zich allerlei taferelen af:

Een grootmoeder met baby op de bank die naar de televisie kijken, een oude meneer achter een werktafel met grote lamp die treintjes verft, studenten die met elkaar aten, ouders die een ruziënd kind proberen te vermanen. Het is intiem. Het voelt herkenbaar en dichtbij.

Zoveel verschillende soorten levens en tegelijk zoveel overeenkomsten met je eigen leven. Ik was alleen op straat, maar toch gaven de taferelen in die huiskamers mij een gevoel van verbinding. Ik had het net zo goed zelf kunnen zijn.

Het deed mij denken aan het Kerstverhaal. Niet het verhaal wat alle grootsheid en glorie over de komst van de Mensenzoon benadrukt, maar een verhaal over een eenvoudig Joods echtpaar die in armoede, kou en ontbering op zoek zijn naar een plek van gastvrijheid, een plek om thuis te noemen.

Een plek, al is het maar voor even, perspectief en hoop kan bieden. Dat is voor mij Kerst. Dat door de duisternis en rauwheid van het leven heen, hoop verschijnt als een perspectief.

Een (giraffen)blik zegt meer dan…

Door buurtpastor Rutger van Breemen

Het was haar laatste wens: nog één keer naar de dierentuin, samen met haar geliefden. Ze is in de allerlaatste fase van haar ziekte gekomen en er was nog een aantal dingen die ze wilde doen. De dierentuin was misschien nog wel de grootste wens. Nog één keer naar de aapies!

Ik had de Stichting WensAmbulance Utrecht benaderd met deze wens en zij wilden graag meewerken. Zo vertrokken we van Utrecht op weg naar Rotterdam. Ik mocht samen met een van haar kleinzoons in de ambulance meerijden en haar dochter en andere kleinzoon reden met Monique mee. De speeltuinwerker die ook meeging, zouden we in Rotterdam treffen.

Het was fantastisch weer voor eind november: zonnetje, weinig wind en een aangename temperatuur. We begonnen bij het tropisch regenwoud. Daar fladderden talloze kleurrijke vlinders. Ze is dol op vlinders; haar hele huis hangt er vol mee. Het doet aan haar man denken. Hij is een vlinder geworden bij zijn overlijden, en zij gaat dat ook worden. Met een brede lach op haar gezicht lag ze te genieten van al de fladderende kleurenpracht om haar heen. Ze stak haar hand omhoog, maar geen van de vlinders durfde het aan om op haar hand te landen.

Langs leeuwen die haar brullend begroetten, kleurrijke vogels en salto-makende aapjes kwamen we in het Savanne-gebied. Via een loopbrug kwamen we bovenin het giraffenverblijf aan. De giraffen waren binnen, omdat ze net eten hadden gekregen. We stonden op een platform, waardoor we ongeveer op ooghoogte met de giraffen stonden. En toen gebeurde het. Een van de grootsten van het stel zag ons staan en kwam eens even polshoogte nemen, wie er zijn huis waren binnengekomen. Toen hij haar zag liggen op haar brancard, kwam hij dichter- en dichterbij. Zo dichtbij als hij maar kon. Hij keek haar recht aan. Met zijn grote ogen met lange wimpers. Hij bleef kijken. Diep, indringend, maar tegelijk begripvol en geduldig. Samen met de giraf zat ze minutenlang in dat moment. Er werd geen woord gezegd; alleen hun kruisende blikken, een zwijgend, verstild kijken. Zij en hij, samen in het moment. En wij stonden eromheen, als getuigen.
Heel even nam hij alles op zijn hoge schouders, zo leek het. Zo vóélde het. Ze moest erom huilen. “Dit had ik echt nooit willen missen! Hij begrijpt me gewoon. Hij voelde het aan! Dit zal ik nooit vergeten!”

Ontvangen worden in Kanaleneiland

door Buurtpastor Titus Schlatmann

Vanochtend bracht ik een bezoek aan de ‘doorgeefwinkel’. Dat is een tot winkeltje omgebouwde garage, onderin een flat, hier in Kanaleneiland. Iedereen kan er overtollig huisraad en kleding brengen, en iedereen mag er ook weer uitzoeken wat hem/haar van pas komt. Zo worden nog bruikbare spullen aan een ander doorgegeven. Een mooie formule. Het winkeltje is er nog niet zo lang. Het wordt gerund door buurtbewoners en het wordt steeds bekender en populairder. Ik kom er zelf ook graag elke woensdag even langs. Omdat ik het mooi vind wat hier gebeurt, én omdat ik graag in contact kom met buurtbewoners. En hier kan dat op een heel ongedwongen, alledaagse wijze; door gewoon rustig te kijken wat er in de rekken hangt en te zien wie er op dat moment is.

Vandaag wordt ik begroet door vrijwilligster A. ‘Zo, ben je daar weer! Ik heb het druk hoor; er zijn veel spullen gebracht, die moet ik allemaal uitzoeken.’ ‘Nou, ik zie het, je bent er maar druk mee!’ B begroet mij ook, een jonge man van ongeveer 30 jaar. Vorige week hadden we elkaar ook gezien, en dat wist hij nog. Ik kon hem toen eigenlijk niet zo goed volgen en verstaan. Nu zegt hij: ‘Het gaat weer beter met mijn elleboog’. En hij wijst naar zijn arm.  Ik had vorige week ternauwernood begrepen dat hij klachten had. ‘Wat fijn!’ zeg ik. Vandaag begrijp ik ineens dat hij hier in de flats de portieken schoonmaakt. Aha, dan is het belangrijk dat je geen pijn hebt in je arm…

Ik sta op de stoep voor de winkel, tussen vrijwilligsters en bezoekers. Dan komt de bovenbuurman uit de flat, met een blad met kopjes en een theepot. Hij schenkt voor iedereen marokkaanse thee in, dat zag ik hem de afgelopen weken al vaker doen. Ik krijg ook thee van hem aangeboden. ‘Wat lekker, dankuwel’. Hij zegt dat we moeten gaan zitten. Dat doen we en ik raak in gesprek met degene die naast me zit. Dan komt er een schaal met cake voorbij. Ineens is de stoep een terrasje geworden, waar we gezellig bij elkaar zitten. Omdat het buiten is voelt het voor mij redelijk corona-veilig…  Eén van de vrijwilligsters met wie ik enkele weken geleden hier heb kennis gemaakt, zegt tegen een bezoeker: ‘Kijk, dat is Titus, de buurtpastor, hij praat met iedereen’. Ik kijk er van op en bedank haar voor deze introductie. Ik word er blij van. Het is namelijk niet altijd zo makkelijk om uit te leggen wat je als buurtpastor komt ‘doen’. Des te fijner is het voor mij om te merken dat een buurtbewoonster op deze manier aan iemand anders vertelt hoe zij mij beleeft. De herkenning, de begroeting, de thee: dit alles voelt als een gastvrij onthaal. Dat ik op deze informele plek op deze manier ontvangen wordt, helpt mij bij mijn weg door deze wijk. Stap voor stap opent deze zich.

Over de drempel

door Buurtpastor Rutger van Breemen

Na de lange weken van thuiswerken ben ik voor het eerst weer eens in Utrecht. Een buurtbewoner heeft een afspraak in het ziekenhuis en ze heeft gevraagd of ik mee wil gaan. Het was een spannend onderzoek en ze wilde eigenlijk niet alleen gaan. Dus voor het eerst sinds half maart zit ik in de bus, met m’n mondkapje, op weg naar Utrecht. Ik moest wel een drempel over voor mezelf. Een vreemd soort spannend, vind ik het. Ergens tussen blij- en bangspannend in: het was een heerlijk gevoel om weer eens ‘live’ aan het werk te zijn, maar het was ook eng: Hoe gaat dat eigenlijk in het OV? Hoe gaat mijn werk nu, lukt het om de afstand te behouden en me aan de maatregelen te houden? Hoe gaan anderen daar mee om? Kan ik wel bij mensen naar binnen? Hoe bewaak ik zelf mijn eigen grenzen daarin? Iets dat ik al vier jaar doe, wordt ineens iets dat ik voor het eerst ga doen. Het is vertrouwd en nieuw tegelijk, herkenning en aftasten.

Nadat ik met de buurtbewoner in het ziekenhuis ben geweest, fiets ik naar de buurt. Het is gelukkig mooi weer, denk ik op de fiets, dan is het makkelijker om even op straat contact met mensen te hebben. Hoe zou dat gaan als het stortregent….? Ik neem me voor om vandaag in elk geval nog niet bij mensen naar binnen te gaan, voor mijn eigen zekerheid en gemoedsrust. Stapje voor stapje…

Ik fiets de buurt in en het voelt als thuiskomen. Wat is het lang geleden dat ik hier geweest ben en wat is het fijn om er weer te zijn. Ik betrap mezelf erop dat ik rondspeur naar dingen die de afgelopen maanden veranderd zijn. Dat blijkt allemaal nogal mee te vallen. Het is gewoon mijn oude vertrouwde buurtje. Ik kom aan bij de speeltuin en wordt begroet door een aantal kinderen. Net alsof ik niet weken weg ben geweest. Gaan we nog ergens naar toe deze vakantie? vraagt een jongetje me na een vlugge hoi. Dat zit er vanwege alle covid-maatregelen helaas niet in dit jaar. We praten wat over hoe hij het ervaren heeft en hoe het was zo’n tijd zonder school. Lekker veel buitenspelen!

Terwijl ik in de speeltuin bijklets met buurtbewoners die voorbij gaan zie ik aan de overkant van de straat af en toe een buurtbewoner, met wie ik regelmatig optrek, in de deuropening verschijnen. De eerste keer heb ik naar haar gezwaaid en ze zwaaide uitgebreid terug. Maar na de derde keer dat ze even naar buiten komt, krijg ik het gevoel dat ze er iets mee wil zeggen. Ik loop naar haar toe. Ja, zegt ze als ik haar nader, mijn kleinkind ligt boven te slapen, vandaar dat ik niet naar je toe kom. Maar, jij bent ook weer op pad zie ik? Een gesprek op 1,5 meter volgt over de maatregelen, de lockdown, hoe het hen en mij vergaan is, over hoe saai het was dat thuiszitten, de (klein)kinderen.

En kom eens kijken! ze klinkt enthousiast en gaat me voor haar woonkamer in, Tadaaa! Ik zie een volledig nieuwe inrichting. We gingen toch niet op vakantie dus we hebben er eens lekker nieuwe meubels van gekocht. Ik ben er zó blij mee! Trots laat ze me zien wat ze gekocht hebben; ze wijst me op elk detail. Mooi hè? Terwijl ik haar meubels bewonder en geniet van haar enthousiasme en trots, besef ik ineens mijn voornemen om niet bij mensen binnen te gaan, en nu sta ik toch binnen, met 1,5 meter tussen ons…Zo gaat dat dus!

Wil je nog koffie?

“Wil je nog koffie?”

– over gedwongen afstand en gemis van nabijheid door de Covid-maatregelen in de eerste twee maanden van de intelligente Lock-down (16 maart – 15 mei) –

Rutger van Breemen, Elizabeth van Dis,  Heleen Heidinga,  Titus Schlatmann

“Als pastor ben je je eigen instrument” – het is zo’n gevleugelde uitspraak, dat het bijna als een open deur en een platitude aanvoelt. Te pas en te onpas wordt hij gebruikt om maar te onderstrepen dat je als pastor – naast alle geleerde kennis  – vooral jezelf meebrengt in de omgang met mensen en dat je het met je eigen  (lichaams)taal, gevoel, kennis, en talenten moet zien te rooien. We werken vanuit de presentiebenadering, waarin de relatie met en het aansluiten en afstemmen op de ander de kern van ons werk is. We, reflecteren daarom veel en vaak op ons werk. Wat zie je? waarom zie je juist dat? Waarom neem je deze afslag in een gesprek? Hoe bepaal je je koers? Dit zijn vragen om onszelf als werker beter in beeld te krijgen, zodat we (pastorale) zorg kunnen bieden die de ander als ‘goed’ ervaart.  Daarbij maken we gebruik van alles wat zijn, kunnen en meebrengen en van de relatie die we met de ander hebben opgebouwd.

Je merkt pas hoe erg je al die instrumenten nodig hebt en gebruikt, als dat instrumentarium wegvalt, doordat je, zoals nu tijdens de coronamaatregelen, ineens niet meer bij mensen thuis over de vloer kunt komen, of zelfs niet eens fysiek, face-to-face, met mensen kunt spreken.

De laatste weken is het contact dat we hebben met buurtbewoners beperkt geworden tot telefoongesprekken, videobellen en whatsappen. Het is ontzettend mooi dat we tegenwoordig deze communicatiemiddelen hebben om ondanks de grote afstand en alle maatregelen toch in contact te blijven met buurtbewoners – en we horen terug dat het erg gewaardeerd wordt. Toch bleken er al snel  haken en ogen te zitten aan die digitale communicatie. Behalve de mensen zelf, missen we  belangrijke instrumenten, die we normaal gesproken haast onbewust gebruiken. In onze contactmomenten en relaties met bewoners blijkt opeens hoeveel van deze instrumenten  een rol spelen in het aansluiten en afstemmen, die we nu niet kunnen inzetten.  Omdat we vanuit huis moeten werken, wordt opeens nog scherper wat er allemaal mee speelt in ons werk en waarom we ons zo onthand voelen nu we niet in de leefwereld van onze buurtbewoners kunnen zijn en in de haarvaten van de buurt. Wat we missen in het contact met bewoners, nu we niet bij ze op de bank kunnen zitten, door de buurt kunnen lopen en een praatje hier en daar kunnen maken, nu we niet een potje kunnen voetballen in de speeltuin of samen kunnen schommelen.

Daarover gaat dit stuk: niet zozeer over het werk van de buurtpastores, maar over hun instrumenten en het gemis daaraan in de coronacrisis. Hieronder willen we een aantal aspecten benoemen waar we ons door de fysieke afstand bewust van zijn geworden.

Hier kun je het volledige artikel  downloaden:   BPU ten tijde van Covid 19 maart- mei 

In onderstaande video vertelt  Heleen Heidinga over de ervaringen.
https://youtu.be/38zAXH1fIo8

 

Buurtpastoraat in Coronatijd

door Heleen Heidinga, buurtpastor Geuzenwijk

Rosa, een alleenstaande dame uit mijn buurtje, is getuige geweest van een vechtpartij rondom de supermarkt. In deze Corona-tijd die haar toch al labiel maakt, heeft dat oud zeer bij haar opengereten. Haar bloeddruk is tot gevaarlijke hoogte gestegen. Ze stuurt me een appje dat ze bang is en of we even kunnen bellen.

Ik ben blij dat ze van zich laat horen. Nu ik niet in de buurt kan zijn door het Corona virus en niet bij mensen kan aanwaaien, merk ik dat ik zaken mis. Anders had ik misschien via via gehoord over het incident en wie er allemaal bij waren en had ik bij haar langs kunnen gaan. Nu bespreken we telefonisch wat er bij haar losgekomen is wat nu verstandig is te doen.

De huisarts heeft gevraagd of ze langs kan komen, maar ze ziet het niet zitten om daar alleen naartoe te gaan. Als het je helpt, kan ik wel met je mee fietsen, bied ik aan. We kunnen prima anderhalve meter afstand houden en dan wacht ik gewoon buiten. Ze is ontroert en onthand door mijn aanbod, voelt zich een last maar neemt het toch aan. We wachten het telefoontje van de arts af.

Aan het einde van de ochtend appt ze me dat de huisarts gelukkig ’s middags bij haar langs kan komen. Alleen al het feit dat ze moeite voor me doet, doet me al goed merk ik, appt ze. ’s Avonds ontvang ik bericht dat ze in het ziekenhuis ligt. De huisarts vertrouwde het niet en heeft haar doorgestuurd. Ik ben nu in goede handen, en iedereen is zo vriendelijk Heleen! Ik schrik van haar ziekenhuisopname maar hoor dat het haar rust en een gevoel van veiligheid geeft. Dat kan alleen maar goed zijn voor haar bloeddruk!

De volgende dag mag ze weer naar huis en bel ik haar even om te horen hoe het gaat. Ze zegt dat ze zich een stuk beter voelt en gerustgesteld is door de positieve resultaten van de onderzoeken. Maar wat haar vooral zo goed gedaan heeft, is de mensen die zo aardig waren: Ik heb gisteren een dag beleefd met zoveel liefdevolle zorg, tijd en aandacht! Het laat de negatieve gevoelens naar de achtergrond verdwijnen Heleen. Wauw, wat bijzonder, zeg ik, wat mooi dat dat het gevoel is dat je overhoudt aan een dag die zo naar begon. Ze vertelt dat ze dankbaarheid voelt en dat ze zich weer eens te meer heeft gerealiseerd hoe belangrijk tijd en aandacht en menselijkheid zijn als je anderen nodig hebt. En weet je wat ik hoop Heleen?  Ik hoop dat we dat meenemen naar de tijd als alles weer normaal wordt.

(deze column verscheen ook in Tussentijds Magazine, parochieblad van Katholiek Utrecht)

Thuiswerken

door Elizabeth van Dis, buurtpastor Hoograven

Daar zit ik dan aan mijn eettafel. ‘Thuiswerken als buurtpastor? Hoe doe je dat?’, vraag ik mezelf af. Normaliter loop ik door de buurt en ben ik bij mensen thuis. Meestal met een aantal afspraken en de tijd tussendoor besteed ik waar nodig, afhankelijk van wat buurtbewoners mij vragen. ‘Zal ik bewoners gaan bellen? Of zal ik eerst eens allerlei achterstallige klusjes oppakken?’ Terwijl ik daarovElizabeth van Diser nadenk gaat mijn telefoon. ‘Ha Elizabeth met Nour’, hoor ik. ‘Hoi Nour, wat leuk dat je belt, hoe is het?’ Nour vertelt dat hij erg aan alles moet wennen. ‘Mijn begeleider komt niet meer en ik moet heel erg uitkijken met boodschappen doen. Dat vind ik echt spannend!’ En hij mist de koffietafel bij de Albert Heijn… ‘Is het buurthuis nog wel open?’, vraagt hij. ‘Helaas niet meer’, zeg ik. ‘Die corona-rotzooi maakt iedereen eenzaam’, zegt hij somber. Wat zou ik graag even bij hem lang gaan. Ik merk dat hij onthand is nu zijn dagelijkse structuur helemaal is weggevallen. We bespreken wat hij vandaag kan gaan doen en ik merk dat hij wat rustiger wordt. ‘Zullen we regelmatig blijven bellen?’ vraag ik. Daar is Nour blij mee. Als ik heb opgehangen maak ik een lijstje van mensen die ik wil bellen. Ondertussen komen er allerlei appjes binnen. ‘Of ik echt niet langs kan komen?’ ‘Mijn man zit vast in Algerije en hoe moet dat als de baby straks komt?’ ‘Kunnen we ook belastingaangifte via de telefoon doen?’ De dag vliegt voorbij en ik ben gesloopt aan het eind van de dag. De dagen daarop begin ik meer in een ritme te komen met een aantal belletjes, verschillende pauzes en allerlei andere klusjes.

Op een middag besluit ik Mies te bellen. Ik heb haar al een tijd niet gesproken maar ik kan me voorstellen dat de coronacrisis veel impact op haar heeft. Met name omdat zij een ernstige vorm van astma heeft. ‘Wat lief dat je belt!’, zegt ze. ‘Leuk je stem te horen’, zeg ik. ‘Ik kan me voorstellen dat het voor jou ook wel pittig is in deze tijd. Je ziet waarschijnlijk bijna niemand?’ ‘Ach’, zegt ze. ‘Bij mij is er niet echt wat veranderd hoor. Ik zie sowieso eigenlijk nooit iemand.’ Het raakt me dat ze dit klip en klaar zegt en ik realiseer me dat ik opeens alles door een corona-bril bekijk! ‘Goh, dus voor jou is het niet heel anders dan anders?’ zeg ik. Mies vertelt dat ze al een tijd geen vrijwilligerswerk meer doet en alleen af en toe boodschappen gaat doen. Terwijl ik met Mies bel komen er achter elkaar skype oproepen binnen van Lina. Ik klik ze weg en zet het geluid uit. Mies vertelt ondertussen dat ze zich best zorgen maakt over corona en haar astma klachten. Ik zet Lina uit mijn hoofd en richt me op Mies. We bespreken haar zorgen en praten drie kwartier door. ‘Wat fijn om even van me af te kunnen praten!’ ‘Hoe gaat het eigenlijk met jou? Kan jij je werk nog wel doen?’ Ik vertel dat ik veel aan het bellen ben en vanuit huis werk. ‘De ene dag gaat het beter dan de andere dag.’ ‘Ja? Gaat het niet altijd vanzelf?’, vraagt Mies. ‘Ik zeg dat ik sommige dagen snel afgeleid ben of meer zou willen doen en dat andere dagen goed gaan.’ ‘Dan zeg ik wat je altijd tegen mij zegt Elizabeth’, zegt Mies. ‘Rustig aan doen en wees tevreden met kleine stappen die je neemt. Niet te streng zijn voor jezelf!’

Nadat ik Mies gesproken heb, bel ik Lina terug via skype. ‘Het lukt me allemaal niet’, zegt Lina gefrustreerd. Ze zit met een zak snoep voor haar computer. ‘Mag ik ook een snoepje?’, vraag ik. Lina lacht en doet net alsof ze mij een snoepje geeft. Ze vertelt dat ze niet kan inloggen op zoom en de instructie gemist heeft en ze snapt ook niks van haar taalopdracht. Het valt me op dat Lina super handig is op de computer en haar scherm met mij kan delen. Samen instaleren we Zoom en ik leg haar taalopdrachten uit. ‘Zullen we morgen weer skypen?’ Dat spreken we af.

Ik spreek Lina regelmatig. Ik krijg een ander beeld van haar thuissituatie. De ouders van Lina zijn vaak niet thuis en als ik haar rond 10.30 bel, komt ze net uit bed. ‘Ik heb vannacht tot 02.00 gegamed’, zegt ze gapend. ‘Leuk dat je kan gamen’, zeg ik. ‘Maar nu ben je volgens mij heel erg moe?’ Lina gaapt en knikt: ‘Het is moeilijk om te stoppen’ zegt Lina. We praten er nog even over door en schakelen dan over op de Engelse les. ‘Werk je morgen ook?’, vraagt Lina. ‘Nee, morgen ben ik vrij’, zeg ik. ‘Ik heb gemerkt dat je je telefoon niet opneemt als je vrij bent’, zegt ze. ‘Klopt’, zeg ik. ‘Soms moet ik ook andere dingen doen.’ Ik zeg dat zij op maandag ook vrij is omdat het dan Pasen is. ‘Oh ben jij dan ook vrij?’, vraagt ze. ’Ik ben dan ook vrij’, zeg ik. ‘Fijne… eh.. Fijne Pasen Elizabeth’, zegt ze en ze vervolgt: ‘Dat heb ik nog nooit tegen iemand gezegd!’

Buurtpastoraat in tijden van corona

door Heleen Heidinga, buurtpastor Geuzenwijk

Ze is bezorgd, bang eigenlijk. Ayshe is al weken ziek, ook al voor de Corona, maar nu blijft ze maar hoesten en is ze benauwd. De telefoongesprekken met mij zijn inspannend voor haar, omdat ze er alleen maar meer van gaat hoesten. Maar ze wil ook graag haar verhaal kwijt en haar angst delen. Ik vind het moeilijk om aan te horen en maak me zorgen. De dokter heeft haar pufjes gegeven en zegt dat het weheleenl meevalt. Zij voelt zich niet serieus genomen. Ik druk haar op het hart de dokter terug te bellen als ze het gevoel heeft dat ze achteruit gaat of als ze zich zorgen maakt. En ik leg uit dat het echt zo is dat mensen pas getest worden in het ziekenhuis. We bellen dagelijks en ik merk qua gezondheid wel een verbetering bij haar. Van een afstand probeer ik dichtbij te blijven om te kunnen inschatten wat er nodig is.

Haar jongste zoon die in groep 8 zit, heeft na twee en een halve week thuis scholing nog steeds geen beschikking over een laptop. Dat baart mij zorgen. Ayshe heeft even genoeg aan haar eigen gezondheid en kan niet ook nog eens achter een laptop aan. Ze heeft het wel bij school aangegeven maar hun oplossing dat hij dan maar op de telefoon van zijn moeder een aantal dingen moet doen, werkt niet. Ik doe een aanvraag voor een gebruikte laptop bij Stichting Leergeld en ik hoop dat zij snel iets kunnen betekenen. Leergeld wordt overspoeld met aanvragen en heeft het dus erg druk. Dat geeft meteen een beeld van hoeveel kinderen de eerste weken van thuisscholing het zonder laptop moeten stellen.

We bellen dagelijks en ik merk meer verbetering bij haar. Je klinkt minder benauwd Ayshe, je hoest ook minder, zeg ik. Merk je dat zelf ook?  Ze merkt het wel, haar bezorgdheid blijft. Een bezorgdheid die wordt gevoed door de berichten van overlijden om haar heen: de schoonmoeder van de overbuurvrouw, de vader van een vriendinnetje, de schoonvader van haar schoonzusje in Marokko, een heel gezin dat in het ziekenhuis in Utrecht ligt, de dood is angstig dichtbij. Stel nu dat ik dood ga Heleen, dan wil ik mijn kinderen echt niet achterlaten met allemaal kosten. En ik kan ook niet begraven worden in Marokko, want daar kan niet naartoe gevlogen worden. Ze heeft gehoord dat er nu in Almere ook begraven kan worden volgens de Islamitische richtlijnen. Dat wil ze dan eigenlijk wel liever, dan kunnen haar kinderen haar ook bezoeken. Maar ze is niet verzekerd voor een Nederlandse begrafenis en daar zit haar zorg. Als ze dat nu nog allemaal moet regelen, dan moet ze honderden euro’s per maand gaan betalen, geld dat ze niet heeft en niet kan missen.
Ik hoor haar paniek en weet ook dat ze dan opeens grote beslissingen kan nemen. Ik vervloek dat stomme virus, waardoor ik nu niet rustig samen met haar op de bank kan zitten om te praten. Haar niet in de ogen kan kijken en kan zien wat er in haar om gaat, of een arm om haar heen kan slaan.  Ik besluit haar mee te nemen naar 3 weken geleden, omdat ze dan hopelijk zelf ook inziet dat het echt beter met haar gaat.

Lieve Ayshe, zeg ik, het gaat veel beter met je dan 3 weken geleden. Weet je nog hoeveel je toen hoestte? Weet je nog hoe het klonk als je diep inademde? Ja dat weet ik wel, zegt ze, maar…
Nee, zeg ik, even luisteren nog. Jij bent aan de beterende hand. Die Corona, als je die hebt, die duurt lang, daar moet je nog tijden van herstellen. Jij bent weer de hele dag uit bed, je kookt en je zorgt voor je kinderen. Dat deed je toen niet toch? Nee, dat is waar, zegt ze. Als je terugdenkt aan toen, en kijkt hoe je nu bent, wat denk je dan? Ze denkt na. Ja dan voel ik me wel beter ja, zegt ze. Ik heb het idee dat het kwartje nu valt.  Ik stel die begrafenispolis nog maar even uit denk ik, zegt ze. Lijkt me verstandig, antwoord ik opgelucht.

Twee dagen later ontvangt ze per mail een kortingscode voor het aanschaffen van een tweedehandslaptop bij een winkel waar Leergeld bij is aangesloten. Alle laptops in die prijscategorie zijn uitverkocht.

Startperiode in Kanaleneiland

In de afgelopen tijd heeft buurtpastor Titus Schlatmann zijn werkzaamheden in Kanaleneiland opgestart met een ‘exposure’, dat is voor het buurtpastoraat de gebruikelijke start in een nieuwe wijk.  Het is een periode, waarin de buurtpastor zich begeeft in de wijk en zo goed mogelijk observeert hoe de wijk op hem af komt en wat dat met hem doet. Dat is verrassend en leerzaam, bewustmakend en soms ook confronterend. Van daaruit groeien contacten met bewoners. Lees met Titus mee in zijn dagboekaantekeningen:

“Kanaleneiland-Zuid is een onbekende wijk voor mij. Ik ken er niemand. Ik heb geen idee hoe het is om hier te wonen. Ik loop langs het kanaal en zie er indrukwekkende schepen voorbij varen. Er is een grasveld tussen de huizen en het kanaal. Er is een fietspad; ik zie kinderen voetballen in de voetbalkooi en ik zie vrouwen op de bankjes zitten. En ik vraag mij af waar ze vandaan komen, Turkije? Marokko? Syrie? Maar waarom vraag ik me dat bij hen af? Is dat het eerste wat bij me te binnen schiet als ik deze mensen hier zie, onbewust? Goed om mezelf daarop te betrappen. Ik loop verder langs de flats. Ik merk dat ik geen huiskamers zie. Die bevinden zich allemaal op de eerste verdieping en hoger. Op de begane grond kijk ik aan tegen blinde muren, garages en portiekdeuren. Daar baal ik van. Ik mis het contact met mensen die ik kan groeten als ze thuis zijn. Ik voel me daardoor meer alleen, meer op mezelf teruggeworpen. Ik mis mensen op straat die een hondje uitlaten. Ik mis mensen die voorbij fietsen, die zie ik ook bijna niet. Hoe kom ik hier in contact met de bewoners? Ik zie tussen de middag vooral kantoorwerkers: mensen die hier niet wonen, maar even verderop in de wijk werken en tijdens hun lunch een ommetje maken door de wijk. Maar waar zijn de mensen van hier?

Ik loop nu op de Columbuslaan. Het valt mij ook op dat de plantsoentjes hier voor de flat veel minder mooi zijn dan op de Rooseveltlaan. Minder royaal, minder mooi beplant en slechter bijgehouden. Het hekwerkje is vaak ook kapot. Er is ligt veel vuil tussen de planten, jammer. Dat maakt zo’n armoedige indruk, vind ik. Deze flat wordt waarschijnlijk ook gerenoveerd. Is het daarom dat het niet (meer) opeknapt of bijgehouden wordt? Zou dat misschien samenhangen? Geen idee; ze schieten me te binnen, al die vragen, en ze houden me bezig….

Onderin de plint van de flat zie ik ineens een winkeltje. Het is een broodjeszaak, maar hij is helaas dicht. Als hij open is wil ik daar graag een keer een broodje halen. Het blijkt een winkeltje dat in een garage is gebouwd. Twintig meter verderop nog eentje: een telefoonzaakje, ook in een garage, onderin de flat. Het maakt me nieuwsgierig. Is dit een experiment of zo? Hoe lang bestaan deze zaakjes? Hoe draaien ze? Van wie zijn ze? Weer allemaal vragen! Ik zie geen andere winkels in dit stuk van de wijk, geen basisscholen, geen speeltuinen, geen buurthuizen. Ik ontdek wel een kantoortje van de BoEx. Op het uithangbord staat: ‘kantoor huismeester BoEx. Spreekuur: dinsdagmiddag 13.30u – 14.00u.’ Ik ben een beetje verbaasd. Ik vind het zo kort: een half uurtje per week maar! Hoe kan dat nou? ..

In de loop van deze periode maak ik kennis met de huismeester. Ik vind het een aardige man, die er veel vaker blijkt te zijn dan alleen dat halve uurtje op de dinsdagmiddag. Als hij er is, is het rolluik omhoog. Bewoners zien dat en komen bij hem binnenlopen. Ik kom af en toe ook even een praatje maken, en zo ontdek ik dat deze plek hier een sociale functie heeft. Mensen lopen er gemakkelijk even binnen, mopperen over iets wat hen stoort in de buurt, attenderen de huismeester ergens op of vragen hem iets, of komen gewoon even babbelen. Via die plek, maar ook op straat, kom ik stapje voor stapje in contact met bewoners. Ik bouw contact op met de postbode hier in de wijk, met de man van de broodjeszaak, de mannen van de telefoonwinkel en de herenkapper. Ik spreek iemand die smiddags terugkomt van zijn werk in Montfoort, en iemand die zijn straat staat aan te vegen. En dan kom ik ineens iemand tegen op de stoep voor zijn flat; we maken een praatje, de man laat mij zien dat hij het plantsoentje voor zijn portiek netjes houdt. En later spreek ik een man die een schoonmaakbedrijf heeft en zijn spullen hier in een garage opslaat. Iik kom ook nog iemand tegen, die ik blijk te kennen uit Rivierenwijk. Ik voel dat het tijd nodig heeft om vertrouwen te laten groeien in al deze contacten. De mensen moeten aan mijn aanwezigheid wennen, ik aan hen. Diverse bewoners kennen en vertrouwen de huismeester en via het contact met hem krijg ik ook vertrouwen bij buurtbewoners…

Een bewoner van de flat aan de Columbuslaan spreek ik op straat. Hij vertelt mij dat het groot onderhoud van zijn flat niet door gaat. De mensen willen het niet, zegt hij. ‘BoEx maakte problemen over de aanleg van een lift; die wilden de mensen hier graag’. Later hoor ik ook via de huismeester dat de verplichte draagvlakmeting in die flat net niet gehaald is. Het onderhoud wordt daarom hier voorlopig afgeblazen. Dat blijkt niet vaak voor te komen. Nu is het de vraag of het in de volgende flats wél doorgaat?… Dat is nog onzeker en zal de komende weken moeten blijken… Het zal mij benieuwen.”

Fernando

door buurtpastor Elizabeth van Dis  

Regelmatig ga ik even aan bij meneer en mevrouw Bogers. We drinken een kopje koffie en nemen de post door. ´Wat ik nou weer voor een brief heb gekregen.. Ik ken er geen wijs uit worden´, mevrouw Bogers duwt me een brief van de BGHU in handen. Ik lees de brief door en vertel dat ze belasting moeten betalen maar dat ze mogelijk recht hebben op kwijtschelding. ´Zou je dat voor me kennen regelen?´ Ik leg uit dat we dit via de website moeten doen. ‘Dan moet je bij mijn man wezen.’ Mevrouw Bogers roept haar man uit de tuin. Even later zitten we met z’n drieën achter hun computer, die ongelofelijk traag is. Meneer Bogers moppert op het feit dat alles tegenwoordig digitaal moet en dat je nergens meer naar toe kan om iets persoonlijks te regelen. Samen vullen we de formulieren in en ik maak foto’s van de bewijsstukken. ‘Nu maar hopen dat ze ons goed gezind zijn, het leven is al duur zat’, zucht meneer Bogers. Mevrouw Bogers gaat koffiezetten maar rookt eerst een sigaretje onder de afzuigkap. ‘Daar zou ze  is mee moeten stoppen’, zeg haar man tegen mij. ‘Hou je kop en bemoei je er niet mee’, zegt mevrouw Bogers. ´Hij zit altijd zo te zeuren.´ Dan gaat de telefoon. ‘Je kleinzoon weer aan de lijn’, zegt meneer Bogers die de telefoon aan zijn vrouw geeft.

Ik weet dat meneer en mevrouw Bogers veel betekenen voor hun oude oppaskinderen. Hoewel ze geen familie zijn, worden zij als volwaardige kleinkinderen behandeld. Aan de stem van mevrouw Bogers te horen, merk ik dat er wat aan de hand is. ´Maar jongen dat moet je niet doen´, hoor ik haar zeggen. En: ‘Je ouders moeten dit echt weten hoor.’ Als ze even later heeft opgehangen kijkt ze bedrukt. ‘Wat nou weer?’, zegt haar man. Mevrouw Bogers zucht en zegt: ‘Fernando gaat nog steeds met die verkeerde jongens om en hij heeft weer geld betaald…’ ‘Nou gaan we het beleven! Dat gesodemieter! Hij heeft beloofd de contacten te verbreken, roept meneer Bogers. Mevrouw Bogers gaat ook staan en schreeuwt: ‘Jij hebt ook altijd zo makkelijk je oordeel klaar he?!’ Voor meneer Bogers kan reageren zeg ik: ‘Dit klinkt niet goed. Wat is er aan de hand met Fernando?’ Meneer Bogers: ‘Die jongen heeft nooit geleerd om voor zich zelf op te komen en kiest verkeerde vrienden. Hij moet z’n ballen is een keer laten zien.’ ‘Nou dat zeg je nu wel, maar het jochie wordt bedreigd’, zegt mevrouw Fernando. ‘Goh, jullie maken je zorgen om Fernando’, zeg ik. ‘Wat is eraan de hand?’ Mevrouw Bogers komt met de koffie en gaat naast mij op de bank zitten. Meneer Bogers ploft ook weer neer op zijn stoel. Samen delen ze hun zorgen over Fernando. Ik ken Fernando niet persoonlijk maar uit de verhalen lijkt het om een kwetsbare jongen te gaan met een lichtverstandelijke beperking. Hij kon nooit goed meekomen op de basisschool en is naar het speciaal onderwijs gegaan. Meneer en mevrouw Bogers vertellen dat hij dealt op school en zelf ook drugs gebruikt. Hij wordt steeds onder druk gezet door jongens op school die hem dwingen geld af te staan of drugs te verkopen.  Meneer en mevrouw Bogers maken zich erg veel zorgen over Fernando. Aan de ene kant vinden ze het bijzonder dat hij hen in vertrouwen neemt, maar aan de andere kant vinden ze het moeilijk om met een geheim rond te lopen waarvan zijn ouders niks afweten. We praten hier lang over door en uiteindelijk zeggen meneer en mevrouw Bogers dat ze het toch met zijn ouders gaan delen maar dat ze Fernando ervan eerst op de hoogte stellen.

Ik ben benieuwd hoe dit zal verlopen en vraag ernaar als ik weer bij hen ben. ´Nou ja…´, begint mevrouw Bogers. ´Eh… we hebben het er wel met Fernando over gehad en gezegd dat we met zijn ouders gaan praten, maar hij wil dat echt niet.´ ´Ik heb gezegd dat we dit door moeten zetten´, zegt meneer Bogers maar zij heeft zich weer laten ompraten.´ Ik kan me het dilemma goed indenken, maar ik denk dat het wel beter is als zijn ouders op de hoogte zijn zodat we samen kunnen onderzoeken hoe we dit kunnen doorbreken. We praten erover door en opeens zegt mevrouw Bogers: ‘Zullen we anders nu gaan, dan ken je mee en me helpen als dat nodig is.’ Ik voel me overvallen door deze vraag! ‘Ik ken die mensen helemaal niet’, schiet het door me heen. ‘Wat zouden ze ervan vinden als we onverwachts op de stoep staan?’ Mevrouw Bogers kijkt me verwachtingsvol aan. ‘Ik vind het wel een goed idee’, zegt meneer Bogers. ‘Maar dan ga ik samen met Elizabeth want  dan kennen we effe met z’n moeder praten als vrouwen onder elkaar.’ ‘Oké, ik ga met je mee’, zeg ik. We spreken af dat zij het verhaal mevrouw Bogers het verhaal doet en dat ik eventueel aanvul waar nodig.

Even later staan we voor het portiek waar Fernando woont. Mevrouw Bogers belt aan. Net als we denken dat er niemand thuis is, horen we een stem die vraagt wie er is. ‘Ha, wijfie, ik ben het. Mag ik effe binnenkomen?’ De deur gaat open en we lopen de trappen op naar de derde verdieping. De moeder van Fernando lijkt net wakker te zijn. ‘Was het toch niet beter geweest om even te bellen?’, vraag ik me af. Mevrouw Bogers zegt: ‘Angela, we willen effe met je praten.’ Ik stel mezelf voor en zeg: ‘Je denkt vast; wie is dat nou weer, maar mevrouw Bogers heeft gevraagd of ik even mee wil komen om iets over je zoon te bespreken.’ Angela fronst haar blik en zegt: ‘Kom erin.’ Als we op de bank zitten zegt ze: ‘Wat is eraan de hand, ik schrik me dood, ik lag te slapen en opeens sta jij hier met een wildvreemde.’ ‘Sorry, Angela’, zegt mevrouw Bogers met trillende stem. ‘Er is iets met Fernando.’ Dan begint ze te huilen. ‘Doe jij het woord maar Elizabeth’, zegt ze snikkend. Ik zeg: ‘Fernando, komt veel bij familie Bogers over de vloer en zij maken zich zorgen over hem. Hij heeft namelijk verteld dat hij verkeerde vrienden heeft die hem afpersen en dwingen om drugs te verkopen.’ ‘Wat?’, zegt Angela. ‘Donders! En dat doet hij allemaal achter mijn rug?!’ ‘Hoe lang speelt dit al?’ ‘Een tijdje’, zegt mevrouw Bogers haperend. ‘Maar je moet niet boos op hem zijn want hij wordt afgeperst. Hij kan er niks aan doen.’ ‘Jeetje, wat schrik ik hiervan’, zegt Angela. Ik zeg dat ik me dat goed kan indenken en dat ik me zorgen maakte en erop aangedrongen heb om hun als ouders op de hoogte te stellen. Angela is erg geschrokken en boos op Fernando. ‘Waarom doet dat jong dat en waarom zegt hij niks?’ Opeens gaat de deur open en stapt er een lange jongen naar binnen. Er valt een stilte. ‘Dus nu weet je het’, zegt hij schuchter. ‘Ben je wel helemaal besodemietert’, schreeuwt zijn moeder. ‘Angela, rustig’, zegt mevrouw Bogers en ze slaat een arm om Angela heen. ‘Hij ken er echt niks aan doen. Die rotjongens van school daar moet je boos op zijn.’ ‘Ik heb van mevrouw Bogers gehoord dat je in een hele moeilijke situatie verkeerd’, zeg ik. ‘Je moeder heeft het net gehoord en ze is geschrokken.’ Fernando knikt en lijkt tegen zijn tranen te vechten. Dat doet iets met Angela. ‘Maar jongen, hoe lang loop je hier al mee rond en waarom heb je niks gezegd.’ Fernando loopt naar zijn moeder toe en geeft haar een knuffel. Ze moeten allebei huilen. Mevrouw Bogers en ik blijven nog een tijd zitten en we bespreken met Fernando en zijn moeder de situatie. Hoewel Fernando heel erg angstig is, ziet hij wel in dat hij hulp nodig heeft en dat hij aangifte moet doen. Angela vraagt of ik hen kan helpen en we spreken af dat ik de volgende dag terug kom omdat het al 18.00 geweest is. ‘Dan gaan we nu chinees halen’, zegt Angela. ‘Eet je ook mee?’